Omgevingsvergunning en overige vergunningen

Beschrijving
Voor een windpark zijn verschillende vergunningen nodig, zoals een bouwvergunning, een vergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan, een watervergunning, een milieuvergunning (indien een MER is vereist) of een OBM (een omgevingsvergunning beperkte milieutoets, ingeval het gaat om drie of meer turbines maar geen MER is vereist), een natuurbeschermingswetvergunning, een flora- en faunawetontheffing, een aanlegvergunning, een kapvergunning, een inritvergunning of een spoorwegwetvergunning. Een aantal van deze vergunningen is een omgevingsvergunning in de zin van de Wabo.
In het kader van de vergunningverlening en de overige besluitvorming kan een coördinatieregeling worden toegepast.
Een (omgevings)vergunning is een mogelijk participatie-instrument omdat daaraan onder omstandigheden voorwaarden en voorschriften kunnen worden verbonden die de effecten van een windpark voor de omgeving kunnen mitigeren. Over (de inhoud van) deze voorwaarden kunnen de stakeholders afspraken maken. In het kader van participatie kan worden afgesproken dat de ontwikkelaar met de overheden en de omgeving de concrete bouwplannen afstemt (bijvoorbeeld via een ontwerpatelier) voordat hij een aanvraag indient.

Aandachtspunten

  • Er dient altijd een locatie- en inrichtingsspecifieke beoordeling te worden gemaakt om vast te stellen welke vergunningen zijn vereist.
  • Als een coördinatieregeling wordt toegepast valt de besluitvorming over de verschillende vergunningen samen. Als de coördinatieregeling van toepassing is op de ruimtelijke besluitvorming staat na het indienen van zienswijzen uitsluitend beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
  • Voor windparken groter dan 5 MW, maar kleiner dan 100 MW regelt de Elektriciteitswet 1998 (E-wet) dat Gedeputeerde Staten bevoegd zijn. Indien Provinciale Staten op grond van art. 9e Elektriciteitswet een inpassingsplan vaststellen, passen Gedeputeerde Staten op grond van art. 9f de coördinatieregeling toe.
  • Bij voorkeur betrekt de ontwikkelaar de omgeving van te voren (informeel) bij het opstellen van de vergunningaanvraag en laat hij het niet aankomen op het bijstellen van de aanvraag naar aanleiding van (formele) inspraak. Als een aanvraag goed is voorbereid zou de formele inspraak geen nieuwe inzichten op moeten leveren.

Wetgeving
Omgevingsvergunning: art. 2.1 Wabo
Natuurbeschermingswetvergunning: art. 19d Natuurbeschermingswet 1998
Flora- en faunawetontheffing: art. 60 e.v. Flora- en faunawet, m.n. art. 75.
Watervergunning: hoofdstuk 6 Waterwet
Coördinatieregeling: art. 3.30 Wet ruimtelijke ordening (Wro) (gemeentelijk), art. 3.33 Wro (provinciaal), art. 3.35 Wro (rijksregeling) en art. 9e en 9f E-wet.

Vorige
Volgende