Zienswijze NWEA Voornemen Rijksstructuurvisie Windenergie op Zee

NWEA is positief over het voornemen te komen tot een Rijksstructuurvisie Wind op Zee om daarmee de noodzakelijke ruimte voor offshore wind te regelen. Dat is van belang om de noodzakelijke bijdrage van wind op zee aan het realiseren van de doelstellingen voor 2020 te borgen, schrijft NWEA in een zienswijze naar aanleiding van het plan van het Rijk om de structuurvisie op te stellen.

De structuurvisie die de ministers van EZ en I&M willen opstellen, geeft invulling aan de zoekopdrachten zoals geformuleerd in het Nationaal Water Plan en de bijbehorende Beleidsnota Noordzee om binnen de zoekgebieden Hollandse Kust en Ten Noorden van de Waddeneilanden ruimte te vinden voor windenergie. Met de Structuurvisie Wind Op Zee worden binnen deze zoekgebieden specifieke gebieden voor windenergie aangewezen. NWEA wijst er onder meer op dat naast ruimte voor wind, ook andere zaken geregeld moeten worden, zoals het beschikbaar stellen van voldoende budget en het regelen van het net op zee.

6.000 MW is eerste stap

NWEA geeft in de zienswijze verder onder meer aan dat in de toekomst nog veel meer ruimte gevonden moet worden op het Nederlands deel van de Noordzee, gezien de doelstellingen van Nederland voor 2050. Bij het noemen van de 6.000 MW waarvoor nu ruimte gezocht wordt, moet dan ook duidelijk worden gemaakt dat dit slechts een eerste stap is naar een duurzame energievoorziening. De Nederlandse en Europese doelstellingen voor klimaatgasreductie in 2050 vergen ook richting 2030 grote omschakelingen. Tussen 2020 en 2030 zal dan ook nog fors wind op zee bijgebouwd moeten worden, zodat in 2030 minstens 16 GW offshore wind op de Noordzee zou kunnen staan.
De zienswijze van NWEA staat hieronder opgenomen en kan als pdf worden opgevraagd.

Aan:

Centrum Publieksparticipatie
Windenergie op Zee
Postbus 30316
2500 GH Den Haag

Plaats en datum Ons kenmerk Uw kenmerk

Utrecht, 26 april 2013 Br-secr 347N

Onderwerp:

Zienswijze NWEA Voornemen Rijksstructuurvisie Windenergie op Zee

L.S.,

In deze brief zet NWEA, de Nederlandse WindEnergie Associatie, haar zienswijze uiteen met betrekking tot het ‘Voornemen opstellen Rijksstructuurvisie Wind op Zee’.

De minister van Infrastructuur en Milieu (I&M) heeft samen met de minister van Economische Zaken (EZ) het voornemen kenbaar gemaakt om het Nationaal Waterplan (NWP) gedeeltelijk te herzien met de Structuurvisie Windenergie op Zee (SV WoZ). Met de SV WoZ wordt invulling gegeven aan de zoekopdrachten zoals geformuleerd in het NWP en de bijbehorende Beleidsnota Noordzee om binnen de zoekgebieden Hollandse Kust en Ten Noorden van de Waddeneilanden ruimte te vinden voor windenergie. Met de SV WoZ worden binnen deze zoekgebieden specifieke gebieden voor windenergie aangewezen.

NWEA staat positief tegenover het voornemen om in een goed georganiseerd proces tot een SV WoZ te komen en daarmee tot een helder en afdoende ruimtelijk kader voor wind op zee. Dit is vooral van belang om de noodzakelijke bijdrage van wind op zee aan het realiseren van de doelstellingen voor 2020 te borgen.

Een activiteit van nationaal belang
Het NWP heeft formeel een looptijd tot 2015. In dit plan is vastgelegd dat wind een activiteit is van nationaal belang is. Dit dient ook in de SV WOZ zo te worden opgenomen.

Zoekgebieden Hollandse Kust en Ten Noorden van de Waddeneilanden
Daarbij vinden wij het nuttig en noodzakelijk dat de uitgangspunten en de omvang preciezer worden benoemd. Deze Rijksstructuurvisie Wind op Zee gaat namelijk niet over alle windenergie op de hele Noordzee; voorkomen moet worden dat dat beeld gaat ontstaan. Deze SV WoZ vormt de invulling van de zoekopdrachten zoals geformuleerd in het NWP en de bijbehorende Beleidsnota Noordzee om binnen de zoekgebieden Hollandse Kust en Ten Noorden van de Waddeneilanden ruimte te vinden voor windenergie. Met deze SV WoZ worden binnen deze zoekgebieden specifieke gebieden voor windenergie aangewezen.

Van 2020 naar 2030
In de toekomst moet nog veel meer ruimte gevonden worden op het Nederlands deel van de Noordzee, gezien de doelstellingen van Nederland voor 2050. Bij het noemen van de 6.000MW moet dan ook door precieze formulering duidelijk worden gemaakt dat dit slechts een eerste stap is naar een duurzame energievoorziening. De Nederlandse en Europese doelstellingen voor klimaatgasreductie in 2050 vergen ook richting 2030 grote omschakelingen. Het is dan ook logisch te veronderstellen dat tussen 2020 en 2030 het bouwvolume per jaar alleen maar zal gaan toenemen t.o.v. de 6.000MW die in dit decennium gehaald moet gaan worden. Daarmee is te verwachten dat in 2030 ruimte voor minstens 16 GW offshore wind op de Noordzee benut zal worden. Daarom zullen ook met het ministerie van Defensie goede afspraken gemaakt moeten worden die in de toekomst ruimte voor wind opleveren.

Liever grotere parken
In het Voornemen wordt gemeld dat wordt afgestapt van het uitgangspunt uit de Beleidsnota Noordzee, waarbij een minimale grootte van 80 km² (400-500 MW) wordt gehanteerd voor windparken op zee. De minimale omvang wordt verkleind naar 100 MW per park in verband met de beperkte beschikbare ruimte. Wij denken dat het wenselijk is om op locaties waar dat mogelijk is grotere parken te bouwen, vanwege de mogelijke ‘economies of scale’. Daar moet sowieso naar gekeken worden. In geval van minder ruimte is het vervolgens ook mogelijk om kleinere parken te bouwen, bijvoorbeeld als er sprake is van meer versnippering – en dus restruimte – als gevolg van aanwezigheid van meerdere gebruiksfuncties, of dichter bij de kust.

Geïntegreerde beleidsontwikkeling en –innovatie
Om aan de Europese duurzame energiedoelstelling te kunnen voldoen, is ruimte voor wind alleen niet afdoende. Gelijktijdig met het ontwikkelen van de SV WoZ moet ook de subsidie beschikbaar worden gesteld en gewerkt worden aan de noodzakelijke beleidsinnovaties, zoals die benoemd worden in de Green Deal Wind op Zee tussen het Rijk en NWEA. Indien Nederland haar duurzame energiedoelstelling wil halen, moeten beide processen deels parallel gelijktijdig plaatsvinden. Aangezien er tijdswinst te halen valt bij het gebruik van bestaande vergunningen is dat een derde traject dat gelijktijdig opgepakt moet worden. Over de samenhang, doorlooptijden en de beslismomenten van deze drie processen krijgt de sector graag zo spoedig mogelijk helderheid.

Er wordt te weinig ingegaan op de relatie die de SV WoZ heeft met andere initiatieven, zoals het net op zee, het uitgiftebeleid en de financiering van Ronde 3. Beleid op deze zaken is essentieel om windenergie binnen de aangewezen gebieden van de SV WoZ mogelijk te maken. Coördinatie tussen alle betrokken ministeries en met name uiteraard van EZ en I&M is van groot belang.

Aanpak uitgifte ronde 3 en 4
In het Nationaal Waterplan is voor Ronde 3 een andere aanpak dan in Ronde 2 benoemd. Onderdeel hiervan is dat er gebieden worden aangewezen waarbinnen windparken mogen worden gebouwd. NWEA gaat ervan uit dat er met betrekking tot deze andere aanpak bij het opstellen van de SV WoZ rekening gehouden is of wordt met de uitkomsten van de evaluatie van Ronde 2.

Graag gaan wij in gesprek over de verdere vormgeving van deze andere aanpak. Daarbij vragen wij specifiek aandacht voor de Deense aanpak, waarbij uitgegaan wordt van afgebakende gebieden waar georganiseerde tenders plaatsvinden, maar daarnaast ook sprake is van een ‘open door policy’ waarbij initiatieven buiten de georganiseerde tenders kunnen worden behandeld. Als er sprake is van een goed projectidee dat in eerste instantie niet binnen de afgebakende gebieden valt, wordt dat idee niet op voorhand afgewezen maar op zijn eigen merites beoordeeld. Graag verkennen wij – in het kader van het overleg met de overheid – wat de voor- en nadelen zijn van dit beleid. Dit overleg dient ook te staan in het kader van het denken over verdere uitgifteronden (ronde 4 en verder).

Belemmeringen door ongelijk speelveld
In de discussies over de ruimtelijke invulling van de Noordzee bemerkt de offshore windsector duidelijke belemmeringen als gevolg van het ontbreken van een gelijk speelveld. Dat speelt zowel bij de ruimtelijke discussie over scheepvaartroutes en bereikbaarheidszones van mijnbouwplatforms als bij de discussies over buizen, leidingen en kabels. In het NWP wordt onderkend dat er sprake moet zijn van een evenredige integratie van alle gebruiksfuncties van de Noordzee. Wind op zee is een sector van nationaal belang, is onmisbaar voor het halen van de duurzame energiedoelstellingen, levert onafhankelijke energie zonder brandstofkosten en zorgt voor veel werkgelegenheid .

Tegelijkertijd moet wind op zee haar positie op de Noordzee nog teveel afdwingen ten opzichte van de meer gevestigde gebruiksfuncties zoals scheepvaart, olie- en gaswinning en visserij. Het belang van een volwaardige positie van wind op zee moet ook terugkomen in de onderhandelingen en afwegingen over ruimte op zee voor windenergie. In de SV WoZ en het flankerend beleid moet geregeld worden dat de offshore windsector een evenredige uitgangspositie krijgt ten opzichte van de gebruiksfuncties die, weliswaar vanuit hun daadwerkelijk belang, maar uit historische redenen nu meer invloed kunnen inzetten, waardoor wind op zee niet op gelijke hoogte kan komen voor wat betreft de noodzakelijke ruimtereservering (conform hetgeen in het NWP is geformuleerd). In de SV WoZ en het flankerend beleid kunnen maatwerkoplossingen het Leitmotiv worden voor de besprekingen tussen de betrokken gebruiksfuncties onder regie van de rijksoverheid. Het overleg en de studies tot nu toe hebben uitgewezen dat op praktisch alle onderwerpen maatwerk de oplossing levert. Dit geldt met name voor de te hanteren veiligheidsafstanden tussen windparken en scheepvaartroutes en tussen platforms en windparken (zie ook hieronder). Het is in het kader van bovengenoemd gelijk speelveld niet meer logisch als één onbemande boorput onbetwist een ruimteclaim zou kunnen leggen op een gebied van meer dan 250 km2, waar 1,25 GW aan windenergie elk jaar voor 1,3 miljoen huishoudens groene stroom zou kunnen leveren. Des te meer omdat het hier niet gaat om veiligheidsdiscussie, maar om een discussie over verminderde bereikbaarheid, die een beperkt deel van het jaar betreft.

De overheid zou de omstandigheden moeten creëren waarin het nationale belang van wind op zee evenredig recht wordt gedaan, door in haar regierol in de vergunningverlening op concrete inzet van maatwerkoplossingen te sturen en te coördineren. Dit kan bijvoorbeeld door in het overleg tussen sectoren een sturende rol te nemen en in het proces eerder te komen tot duidelijkheid over criteria (o.a. bij platformbereikbaarheid en afstanden tot scheepvaartroutes), en ook de initiatiefnemers van wind op zee eerder duidelijkheid te bieden over de criteria van het integreren van de verschillende gebruiksfuncties in de vergunningverlening (wanneer voldoet een vergunning aan de criteria).

Ruimte in beeld
Het is belangrijk om de windsector in het vroegst mogelijke stadium te betrekken bij het in kaart brengen van de ruimte. Belangrijk is dat in detail gezamenlijk – door de overheid en de windsector – naar de kaarten wordt gekeken en opties en belemmeringen worden geïnventariseerd. We gaan ervan uit dat de resultaten daarvan verwerkt worden in de kaartbeelden van de maximum- en de minimumvariant die nu getoond zijn.

Belemmering scheepvaartveiligheidroutes
Het is belangrijk dat regels met betrekking tot (veilige) afstanden tot scheepvaart effectief en efficiënt zijn. De Beleidsnota scheepvaartverkeer Noordzee (1987) vormt een specifieke uitwerking gericht op de scheepvaart van de Nota harmonisatie Noordzeebeleid uit 1984. De nota formuleert als hoofddoelstellingen van het scheepvaartverkeersbeleid op de Noordzee:
• het scheppen van voorwaarden die een vlotte en veilige afhandeling van het scheepvaartverkeer van en naar Nederlandse havens bevorderen;
• het zorgdragen voor een zorgvuldige afstemming van de belangen van het scheepvaartverkeer op andere gebruiksfuncties; en
• het scheppen van voorwaarden voor een veilige verkeersafwikkeling langs de Nederlandse kust.
Een van de doelstellingen van de beleidsnota is de stroomlijning van de afstemming tussen de gebruiksfunctie scheepvaart en overige gebruiksfuncties op de Noordzee. Daarbij werden met name offshore mijnbouw, visserij en recreatievaart benoemd. In het kader van de uitwerking van de SV WoZ dient daar ook offshore wind aan te worden toegevoegd en uitgewerkt.

De nieuwe regels moeten als zodanig maximale ruimte borgen voor windenergie en tegelijkertijd de veiligheidsrisico’s inperken. Inefficiënte ruimteclaims kunnen onnodig veel gebied kosten. De vraag moet gesteld worden of de bestaande afweegkaders en het daarbij gebruikte SAMSOM-model wel adequaat zijn en zullen blijven. Als op de Noordzee nieuwe functies zoals offshore wind steeds meer een plek zullen moeten gaan krijgen, dan zullen bestaande regels aangepast gaan worden. Hoe gaan we de impasse die ontstaan is in de werkgroep ‘ Veilige afstanden’ doorbreken?

Belemmering mijnbouw-bereikbaarheidszones
Met betrekking tot veiligheidsafstanden rondom mijnbouwplatforms merken wij op dat het voor helikopters in de meeste gevallen niet nodig is om vanuit 360 graden de mogelijkheid te hebben om aan te vliegen. Wanneer de ruimte voor aanvliegroutes teruggebracht worden tot het noodzakelijke, kan de veiligheidsmarge rondom mijnbouwplatforms beperkt worden. Met als resultaat dat de ruimte op zee efficiënt wordt gebruikt en o.a. voor wind niet onnodig wordt geminimaliseerd. Tevens dient in de SV WoZ rekening te worden gehouden met de plannen voor decommissioning olie & gas en met mogelijkheden om deze – indien nuttig en noodzakelijk - te bespoedigen.

Belemmering buizen, leidingen en kabels
In de kaarten ‘’Windenergiegebieden op zee’’’ is geen rekening gehouden met bestaande kabels en leidingen, waaronder telecom en gas. Hierdoor zal de daadwerkelijke ruimte in de aangewezen zoekgebieden kleiner zijn dan nu wordt geschetst.

De wenselijkheid van verdere bundeling van kabels en leidingen wordt nu niet expliciet behandeld. Als dit aspect niet alsnog meegenomen wordt, zal deze kans om tot verdere ruimtemaximalisatie te komen gemist worden. Helemaal nu er in 2013 ook een begin is gemaakt met wetgeving om een net op zee mogelijk te maken. Op projectniveau wordt verwacht dat dit wel meegenomen dient te worden bij het opstellen van MER’s vanwege de ruimtelijke implicaties. Hetzelfde zou ons inziens moeten gelden op dit gebiedsniveau. Voor het eerder aangewezen windgebied Borssele zijn de routes voor de aansluitkabels wel aangegeven.

Op welke manier gaat in de SV WoZ rekening gehouden worden met de inzichten die komen uit de studie die ECN/TenneT doet i.o.v. EZ in het kader van de haalbaarheidsstudie nearshore? En met de interacties tussen mogelijke nearshore ontwikkelingen en wind op zee ontwikkelingen (bijvoorbeeld aansluiting op het landnet)?

Bij de aansluitpunten en aanlandingspunten lijken niet alle mogelijkheden te worden benoemd. In ieder geval is ons niet duidelijk waarom Wateringen niet wordt genoemd als aansluitpunt, met Den Haag als aanlandingspunt? Ook het aansluitpunt Beverwijk wordt niet genoemd.

Belemmeringen in hoogte
Gezien de technische ontwikkelingen naar grotere, efficiëntere en dus kosteneffectievere turbines dient de minimum vlieghoogte boven windmolenparken naar 250 meter gebracht te worden.

Doorwerking SV-WoZ naar andere gebiedenwerking
De verder doorwerking naar andere gebieden van een ruimtelijk structuurplan is een normaal element in de reguliere planontwikkeling. Om de productie van windenergie te kunnen leveren aan de gebruiksgebieden op het land, zijn de aanlandingskabels per windgebied, zoals boven genoemd, noodzakelijk. Naast de corridors op zee zijn corridors op land een logisch gevolg. Ook duin doorsteken zijn cruciaal, net zoals een corridor voor de kabel op land. Daarom zou het goed zijn de doorwerking van het SV-WoZ op de functie van de landplannen mee te nemen. Ook wordt niet vermeld of de doorwerking naar buitenlandse parken wordt bekeken en of en hoe bijvoorbeeld mogelijke cumulatie en/of synergie wordt meegenomen.

Baten in beeld
In het beoordelingskader (PPP) wordt een aantal positieve zaken benoemd, waaronder klimaat (bijdrage reductie CO2 uitstoot). Er zijn echter nog meer positieve bijdragen voor het stukje Planet, zoals beperking uitstoot andere emissies en negatieve milieu-impact van grondstofdelving van kolen, olie en (schalie)gas. Bij Profit wordt de bijdrage van een thuismarkt aan de economie genoemd. Wij onderschrijven dat zeker. Wat mist is het overzicht van de uitgaven aan fossiele brandstof die wordt beperkt (geld dat direct naar het buitenland verdwijnt). Ook is er een positieve bijdrage aan kostenverlaging van de stroomprijs (merit-order effect – zie de EWEA-publicatie Wind Energy and Electricity Prices- Exploring the ‘merit order effect’). Andere voordelen liggen in economische argumenten als een lager marktprijs risico (geen koppeling met olie/gas/kolenprijs) en een grotere mate van zelfvoorziening en daarmee minder afhankelijkheid van geopolitieke ontwikkelingen.

Hoe verder?
Het is niet duidelijk hoe het voorkeursalternatief wordt bepaald. Zoals eerder aangegeven heeft dit tevens te maken met de vraag welke rol maatwerk kan spelen en of er een gelijk speelveld tussen de verschillende belanghebbenden is gecreëerd. De vraag is dus hoe het mogelijk is om tot een voorkeursalternatief te komen als er nog niet gekeken is naar de wenselijkheid en mogelijkheid om maatwerk in te zetten. En dan is het natuurlijk nog de vraag hoe de relatie met het uitgiftestelsel wordt gelegd.

NWEA wordt graag op de hoogte gehouden van de verdere ontwikkeling van de SV WoZ. Ten aanzien van het proces is vooralsnog onduidelijk wanneer de Minister op zijn laatst een besluit zal nemen voor de vaststelling van de SV WoZ. Wij zouden hier graag duidelijkheid over krijgen. Wij zijn gaarne bereid om de inhoudelijke kennis en ervaring aan te leveren om tot een zorgvuldige en effectieve invulling van het noodzakelijke belang van windenergie op zee in de SV WoZ te komen.