Afstand windparken en scheepvaartroutes

Uitgaan van een grotere afstand tussen toekomstige windparken op zee en de scheepvaartroutes, heeft grote nadelige consequenties voor de ontwikkeling van windenergie op zee. Dat schrijft NWEA in een brief aan de staatssecretaris van Verkeer & Waterstaat.

Initiatiefnemers voor windparken op zee hebben op basis van bestaande regelgeving gewerkt met een afstand van 500 meter tussen windpark en scheepvaartroutes. Vanuit de scheepvaartsector is geopperd voor de windparken op wat langere termijn uit te gaan van een afstand van minstens 2 zeemijl (3,7 kilometer) en soms zelfs 4 zeemijl.

Een dergelijke afstand heeft grote gevolgen voor de ontwikkeling van offshore windenergie. Grote delen van de Noordzee op relatief korte afstand van de kust zullen daardoor als mogelijke locatie afvallen. Windparken op grotere afstand zijn duurder in aanleg.

NWEA bepleit om voor de windparken op wat langere termijn tot een zorgvuldige belangenafweging te komen, waarbij alle belanghebbenden betrokken dienen te worden.

Overigens wijst NWEA er op dat voor andere objecten op zee ook gerekend wordt met een afstand van 500 meter (en soms liggen ze zelfs op de scheepvaartroute zelf), terwijl bij een aanvaring de effecten voor bemanning of zeemilieu ernstiger zijn dan bij een windturbine. NWEA vraagt zich af waarom dan voor windturbines zoveel strengere regels zouden moeten gelden.

Mevrouw J.C. Huizinga-Heringa
Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat
Postbus 20901
2500 EX DEN HAAG

Plaats en datum Utrecht, 6 augustus 2008
Ons kenmerk Br-secr. 149N

Onderwerp:
Afstand windturbines en Scheepvaartroutes

Excellentie, Geachte mevrouw Huizinga-Heringa,

Zoals u bekend verloopt het vergunningsproces voor nieuwe windparken op het Nederlands deel van de Noordzee al jarenlang uiterst moeizaam. NWEA is daarom blij met uw brief van 4 april jl. aan de Tweede Kamer (VenW/DGW 2008/592) die wij beschouwen als het begin van een oplossing. Specifiek ten aanzien van de belangen van scheepvaart in relatie tot windturbines voor het perspectief op lange termijn heeft uw Ministerie op 19 juni een zogenaamde stakeholdersbijeenkomst georganiseerd. Wij juichen dergelijke bijeenkomsten toe en leveren hier als NWEA graag een bijdrage aan. In deze brief willen wij specifiek voor de laatstgenoemde problematiek aandacht vragen en een voorstel doen.

Achtergrond
In de Beleidsregels inzake toepassing van de Wet beheer rijkswaterstaatwerken op installaties in de Exclusieve Economische Zone van 21 december 2004 wordt onder meer aangegeven dat de afstand tot offshore windparken en het internationaal vastgestelde TSS en de daartussen gelegen clearways (hierna: scheepvaartroutes) tenminste 500 meter dient te bedragen, en dat sprake moet zijn van optimaal ruimtegebruik. Ook in de vergunningen voor de offshore windparken Egmond aan Zee en Prinses Amalia is uitgegaan van een afstand van 500 meter tot de scheepvaartroute. Op grond van de Richtlijnen, zoals deze door uw Ministerie voor elke aanvraag zijn vastgesteld, moet elke aanvraag vergezeld gaan van een door MARIN met behulp van het SAMSON-model uitgevoerde veiligheidsstudie naar de risico’s als gevolg van het voorgenomen windpark voor de scheepvaart.

Op grond van bovenstaande zijn vrijwel alle initiatiefnemers vervolgens uitgegaan van een afstand van 500 meter tot scheepvaartroutes en overige erkende gebruiksfuncties zoals zandwinning-, munitie- en ankergebieden.

Overigens wordt deze afstand van 500 meter ook aangehouden rond offshore olie- en gasplatforms. De gevolgen voor het mariene milieu en voor de bemanning van een aanvaring of –drijving tegen een olie- of gasplatform zijn echter een ordegrootte ernstiger dan bij aanvaringen of –drijvingen tegen een windturbine. Zoals u ongetwijfeld weet, bevinden zich desondanks een aantal olie- en gasplatforms zelfs binnen de vastgelegde scheepvaartroutes. Gelukkig hebben zich tot op heden geen aanvaringen voorgedaan bij deze platforms. Het scheepvaartverkeer blijkt dus uitstekend rekening te kunnen houden met obstakels die aanwezig zijn in de directe nabijheid of zelfs op deze scheepvaartroutes.

Wens scheepvaartsector
Tijdens de stakeholdersbijeenkomst op 19 juni bij Rijkswaterstaat Directie Noordzee bleek dat de scheepvaartsector graag een windparkvrije zone van tenminste 2 zeemijl (= 3,7 km) aan weerszijden van scheepvaartroutes wil aanhouden en een windparkvrije zone van tenminste 4 zeemijl tot ankergebieden. De overweging hierbij is o.a. dat bij de nadering van een haven de werkdruk op de brug toeneemt. Het schip schakelt over van zware brandstof op lichtere brandstof en van kruissnelheid naar havenaanloop-snelheid. Het brugpersoneel moet meerdere taken tegelijk uitvoeren terwijl de scheepvaartintensiteit in de aanloop naar de haven toeneemt.

NWEA heeft begrip voor deze argumenten. Echter, toepassing van deze grotere windparkvrije zones heeft grote negatieve gevolgen voor de realisatie van windenergie en sluit grote gebieden op relatief beperkte afstand tot de kust uit voor plaatsing van windparken. Immers, plaatsing op grotere afstand van de kust (en dus van aansluitpunten met het landelijk hoogspanningsnet) leidt tot significant hogere kosten. Niet alleen voor de investeerders, maar ook voor de Nederlandse samenleving zullen de kosten stijgen, die nodig zijn om de doelstelling voor duurzame energie te realiseren.

Het hiervoor genoemde argument van de scheepvaartsector zou overigens, indien het zo zwaar weegt als thans lijkt te worden gesuggereerd, ook en zelfs in hogere mate moeten gelden rond olie- en gasplatforms in de aanloopgebieden van de grote havens en tussen scheepvaartroutes en bijvoorbeeld ankergebieden.

Voorstel NWEA
Tegen deze achtergrond pleit NWEA voor een zorgvuldige belangenafweging gestoeld op onafhankelijk en gedegen onderzoek. Op basis hiervan kunnen uiteindelijk richtlijnen worden opgesteld ten behoeve van de locatiekeuze voor windparken voor de lange termijn. NWEA draagt, samen met u en andere belanghebbenden, graag bij aan het opzetten en begeleiden van een dergelijk onderzoek en besluitvorming. Een dergelijke collectieve aanpak, waarbij alle stakeholders betrokken zijn, wordt bijvoorbeeld ook in het Verenigd Koninkrijk gehanteerd bij diverse windenergiegerelateerde aspecten, zoals vliegveiligheid.

Wij benadrukken dat wij, in navolging van uw werkwijze, in dit kader uitsluitend spreken over de ontwikkeling van windparken op zee voor de lange termijn. Voor de windparken die op kortere termijn gerealiseerd worden, dienen op basis van huidige wettelijke kaders en bilateraal overleg besluiten genomen te worden.

Wij zijn graag bereid deze aanpak mondeling toe te lichten dan wel andere oplossingen met u te bespreken.

Met vriendelijke groet,
Nederlandse WindEnergie Associatie NWEA

Joop Lasseur, voorzitter