Zienswijze voornemen opstellen Rijksstructuurvisie Windenergie op land en Milieurapport

NWEA heeft op het voornemen voor het opstellen van de Rijksstructuurvisie Windenergie op Land haar zienswijze ingediend. Met de structuurvisie beoogt het Rijk ruimte te vinden voor 6.000 MW wind op land in 2020. NWEA is van mening dat de huidige gebieden die het Rijk hiervoor wil onderzoeken te beperkt zijn om dat doel te behalen.

NWEA verzoekt het Rijk om minimaal 8.000 MW aan windparklocaties te vergelijken, onder meer door alle projecten die zijn ingediend in het kader van de Rijkscoördinatieregeling in de PlanMER voor de structuurvisie mee te nemen.

NWEA vindt dat een financiële middelen en uitvoeringsparagraaf aan de structuurvisie toegevoegd moet worden. De stimuleringsregeling SDE+ biedt op dit moment, als gevolg van de voor windenergie toegepaste systematiek, onvoldoende mogelijkheden voor de doorgroei naar 6.000 MW.

Gezien de afspraken met Europa om in 2020 14 procent duurzame energie te realiseren, is NWEA van mening dat uiterlijk 2018 de vergunningverlening afgerond moet zijn. De planologische procedure zou dan uiterlijk 2015 moeten beginnen.

De branche ziet meer mogelijkheden voor grootschalige windenergielocaties (minstens 100 MW) dan in het voornemen voor de structuurvisie worden genoemd. NWEA ziet mogelijkheden in met name Groningen, Friesland, Noord-Holland, Zeeland en in westelijk Noord-Brabant. Drenthe heeft in het voornemen geen gebieden voor grootschalige windenergie, NWEA ziet hier wel degelijk mogelijkheden. Tevens is NWEA van mening dat meerdere snelweg-zones geschikt zijn. De branche heeft begin dit jaar onderzoek laten doen naar gebieden waar grootschalige windenergie in principe mogelijk zou kunnen zijn en waarvan het goed is deze nader te beoordelen.

NWEA benadrukt dat naast de grootschalige locaties, ook kleinschalige initiatieven van groot belang zijn om de windenergiedoelstelling te behalen. Verzocht wordt om aan te geven dat de structuurvisie wind op land de doorgang van deze projecten niet mag belemmeren.

De zienswijze van NWEA is hieronder te vinden en kan onderaan de pagina als PDF worden opgevraagd.

Centrum Publieksparticipatie
SV WOL
Postbus 30316
2500 GH Den Haag

Utrecht, 12 oktober 2012

Onderwerp: Zienswijze voornemen opstellen Rijksstructuurvisie Windenergie op land en Milieurapport

Geachte dames en heren,

Bij deze zenden wij u onze zienswijze op het voornemen voor het opstellen van de Rijksstructuurvisie Windenergie op Land en Milieurapport dat sinds 15 september jongstleden ter inzage ligt. Graag brengen wij u met deze brief op de hoogte van het standpunt van de Nederlandse WindEnergie Associatie (NWEA).

NWEA is tevreden met het voornemen van de ministeries van Infrastructuur en Milieu en van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie om tot een Structuurvisie Windenergie op land (SV WOL) te komen. NWEA deelt de mening dat het voor zowel marktpartijen, (lagere) overheden als burgers belangrijk is dat er ruimtelijke duidelijkheid komt.
Daarnaast deelt NWEA de mening zoals geschreven in het voornemen, dat het van groot belang is om toe te zien op de reservering van voldoende ruimte door de provincies en duidelijke prestatieafspraken.

Om op het doel van 6.000 MW gerealiseerd in 2020 te komen, pleit NWEA ervoor bij deze SV WOL in totaal minimaal 8.000 MW aan windparklocaties te vergelijken . Dit omdat er altijd locaties en turbineposities kunnen afvallen naar aanleiding van het PlanMER, omdat bijvoorbeeld mogelijkheden in de onderzochte gebieden kleiner kunnen uitvallen door aanpassing van de begrenzing van die gebieden, door toepassing van ‘de zeef’’ zoals genoemd in paragraaf 2.2 van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau – Plan-MER en vanwege de aanwezigheid van solitaire bebouwing, die nu niet in de zeef is meegenomen.

Voor de afweging van de te onderzoeken gebieden, wordt vooralsnog alleen uitgegaan van de door de gezamenlijke provincies genoemde zoekgebieden. Deze tellen vooralsnog niet op tot 6.000 MW, laat staan tot de 8.000 MW die NWEA in de onderzoeksfase bepleit. Het PlanMER moet juridisch houdbaar zijn en daarom moet niet enkel op het beperkte aanbod van de provincies ingezet worden. Zowel vanuit het ministerie van IenM in het voortraject naar een ruimtelijke visie voor wind op land, als vanuit de markt zijn verschillende andere mogelijke gebieden genoemd. Wij constateren dat niet wordt gemotiveerd waarom de locaties die eerder als mogelijk zoekgebied voor grootschalige windenergie zijn genoemd, nu niet in de afweging worden meegenomen. Door de uitsluiting van andere potentiële locaties bij het opstellen van deze PlanMER, bestaat het risico dat het PlanMER niet de (juridische) toets van zorgvuldigheid van proces zal doorstaan, waardoor deze PlanMER uiteindelijk geen waarde zal hebben in het uiteindelijke ontwikkelproces van deze locaties.

De provincies hebben bijvoorbeeld om hun moverende redenen lang niet alle bekende en aangemelde RCR-windparklocaties opgenomen in hun zoekgebieden. Dit terwijl de marktpartijen deze gebieden als zeer geschikte locaties voor windparken groter dan 100 MW zien en als RCR-project hebben aangemeld. Het betreft gebieden die zeer geschikt zijn, doordat er weinig ruimtelijke beperkingen zijn, die voldoen aan de geformuleerde voorkeurseisen en waar bovendien al vaak een start is gemaakt – zoals het verwerven van grondposities, waardoor juist hier een goede basis ligt voor de daadwerkelijk ontwikkeling van windparken. Het op tijd behalen van de doelstelling van 6.000 MW gerealiseerd in 2020, is een dusdanige uitdaging dat alle mogelijkheden die hieraan kunnen bijdragen nu moeten worden onderzocht. In de ogen van NWEA is dit een taak van de nationale overheid.

Daarom pleit NWEA ervoor dat álle aangemelde RCR-windparken bij deze SV WOL meegenomen worden. Wij zien geen motivatie waarom niet alle aangemelde en lopende RCR-gebieden in de afweging worden meegenomen. Dat is des te opvallender omdat vanuit de zijde van de Rijksoverheid meerdere van deze RCR-gebieden in behandeling zijn genomen. Conform de Elektriciteitswet is het Rijk aan zet bij mogelijke windparken van 100 MW of meer; juist voor een ruimtelijke visie over dit soort windparken zou het Rijk dan de haar bekende RCR-gebieden in een afweging mee moeten nemen.

De RCR-gebieden nu meenemen in het PlanMER geeft alle betrokken partijen – overheden, markt, burgers - ook voor langere termijn duidelijkheid over de mogelijkheden van die gebieden. In dit kader benadrukt NWEA dat het meenemen van gebieden in een PlanMER geen garantie is dat in deze gebieden ook windenergie kan worden gerealiseerd. Immers kunnen de resultaten van het PlanMER tot de conclusie leiden dat de gebieden alsnog niet geschikt zijn voor windenergie. Juist met het PlanMER krijgt de overheid een beeld over de geschiktheid van alle nu denkbare locaties. Daarna kan de overheid op gefundeerde wijze verdere besluiten nemen over de SV WOL.

Met deze SV WOL bevestigt het Rijk het belang van windenergie. Wij verzoeken u dit als zodanig uit te spreken. Zoals uit het voornemen blijkt, realiseert het Rijk zich dat windturbines effecten hebben op (de belevingswaarde van) het landschap. Er is een noodzaak om (meer) windturbines te realiseren. Vanwege deze noodzaak zal het landschap er in enkele gebieden anders uit komen te zien. Dit is een ontwikkeling die voortdurend aan de orde is; het huidige landschap is ontstaan door eerder menselijk handelen. Enkel en alleen de belevingswaarde van het landschap mag geen doorslaggevend aspect zijn dat de ontwikkeling van windturbines belemmert.
Windenergie om doelstelling te behalen.

In de inleiding staat dat windenergie nodig is om de CO2 uitstoot in 2020 te kunnen verminderen. Aangegeven wordt dat om de doelstelling van 14 procent duurzame energie te halen, veel windturbines nodig zijn en dat daar veel ruimte voor nodig is. Tevens wordt door het ministerie van IenM aangegeven ervoor te kiezen om dit in een beperkt aantal gebieden te concentreren. NWEA onderschrijft de keuze voor de doorgroei naar 6.000 MW en daarbij ook sterk in te zetten op concentratie van windturbines. Echter het aantal aangewezen gebieden is nu te beperkt om de doelstelling te behalen.

Daarnaast is NWEA van mening dat er een groot aantal gebieden is dat aan de voorkeurseisen (grote haven- en industriegebieden, grootschalige open agrarische landschappen, in en langs grote wateren (zoals het IJsselmeer) en langs wegen en spoorlijnen) kan voldoen, maar nu niet opgenomen is. Wij verzoeken u dat alsnog te doen.
Financiële middelen en uitvoeringsparagraaf

De SV WOL gaat primair over de ruimtelijke mogelijkheden. Ons inziens is een uitvoerings- en een financiële paragraaf noodzakelijk om het gestelde doel daadwerkelijk te kunnen halen. In de uitvoeringsparagraaf dienen ook de hardheid van eventuele afspraken met lagere overheden beschreven te zijn, alsmede de wijze waarop het Rijk met mogelijke ruimtelijke en andere belemmeringen om gaat.
De stimuleringsregeling SDE+ biedt op dit moment, onder meer als gevolg van de voor windenergie toegepaste systematiek, onvoldoende mogelijkheden voor de doorgroei naar 6.000 MW. In de SV WOL dient ook het financiële perspectief te staan hoe het doel bereikt kan worden.
Betrokkenheid branche en totstandkoming

De windenergiebranche betreurt het dat zij niet nadrukkelijker uitgenodigd is om deel te nemen aan de totstandkoming. In het voornemen staat dat de SV WOL tot stand komt in samenspraak met de provincies, gemeenten en de waterschappen. Graag ziet NWEA dat zij als vertegenwoordiger van de marktpartijen in officiële overleggen kan deelnemen. De markt doet met regelmaat onderzoek naar gebieden en weet derhalve welke gebieden geschikter en minder geschikt zijn. Ook kan de branche op basis van de ervaring met projectontwikkeling goed aangeven of de verwachtingen rond het aantal mogelijk te plaatsen MW realistisch en haalbaar zijn. Vanuit de praktijk weten wij helaas dat in veel gevallen op basis van nader onderzoek en nadere invulling van een locatie het oorspronkelijk gedachte aantal turbines niet kan worden gerealiseerd. Dit zal ook bij RCR-projecten aan de orde zijn.
Kleinschalige initiatieven

NWEA is tevreden dat u in het voornemen stelt dat in de visie uitgegaan wordt van zowel grootschalige als kleinschalige projecten. Het Rijk gaat met de RCR over de grootschalige projecten, maar zoals terecht wordt beschreven, zijn ook de kleinschalige initiatieven nodig om tot de 6.000 MW te komen. Opschaling gaat de komende jaren in steeds meer regio’s een rol spelen; in dat verband is het ook spijtig dat sommige provincies daarvoor gebieden op slot lijken te zetten. Wij verzoeken u om zowel in de SV WOL als in de communicatie met provincies, gemeenten en andere belanghebbenden duidelijk aan te geven dat deze SV WOL geen belemmering mag zijn of worden voor de ontwikkeling van projecten kleiner dan 100 MW. Dit is cruciaal om de doelstelling tijdig te behalen. In het bijzonder vragen wij uw aandacht voor projecten waarvoor de procedure nu loopt en die nabij de gebieden voor grootschalige windenergie zijn gelegen. Deze SV WOL mag de doorgang van deze projecten niet blokkeren.
Natura 2000-gebieden

NWEA is van mening dat Natura 2000-gebieden op zich geen belemmering vormen. Of Natura 2000-gebieden geschikt zijn of niet hangt af van de natuurwaarde van het gebied. Natura 2000-gebieden worden aangewezen vanwege specifieke natuurwaarden: waar deze door windenergie niet in het geding zijn, moeten windturbines in principe mogelijk zijn.
De Europese Unie heeft in 2010 een richtlijn doen uitvaardigen waaruit blijkt dat het nadrukkelijk niet de bedoeling is windturbines generiek uit te sluiten in Natura 2000-gebieden. Het al dan niet kunnen plaatsen van windturbines is, zoals dat geldt voor álle economische activiteiten in Natura 2000-gebieden, afhankelijk van de instandhoudingsdoelstellingen in elk afzonderlijk gebied.
In dit kader vinden wij het ook vreemd dat u aangeeft dat altijd een passende beoordeling nodig is. Naar onze mening moet per gebied/initiatief eerst onderzocht worden of er sprake is van mogelijk significante gevolgen voor het betreffende Natura 2000-gebied. Pas daarna kan geconcludeerd worden of een passende beoordeling nodig is. Wij verzoeken u deze nuance op te nemen.
Geschikte gebieden volgens de branche

Uit onderzoek dat door de branche is gedaan, blijkt dat er een groot aantal gebieden is, dat meer dan geschikt is gebleken voor de ontwikkeling van grootschalige windenergie, maar nu niet in het onderzoek wordt opgenomen, doordat het bod van de provincies leidend is. Overigens constateren wij dat de in paragraaf 2.3. genoemde “Besluitvorming tussen de ministers van IenM en ELenI en het Interbestuurlijk Provinciaal Overlegorgaan (IPO)” nog niet is afgerond: de provincies moeten hun bod immers nog aanvullen. De branche ziet meer mogelijkheden in met name Groningen, Friesland, Noord-Holland, Zeeland en in westelijk Noord-Brabant. Drenthe heeft op de huidige kaart geen gebieden voor grootschalige windenergie, NWEA ziet hier wel degelijk mogelijkheden. Tevens is NWEA van mening dat meerdere snelweg-zones geschikt zijn. De branche heeft begin dit jaar onderzoek laten doen naar gebieden waar grootschalige windenergie in principe mogelijk zou kunnen zijn en waarvan het goed is deze in een PlanMER nader te beoordelen; in bijlage 1 is een kaart bijgevoegd met deze gebieden.
Planning

Gezien de afspraken met Europa zal de doelstelling van 6.000 MW in 2020 moeten zijn gerealiseerd. Om dit waar te maken moet naar onze mening de vergunningverlening voor deze windturbines uiterlijk in 2018 zijn afgerond. De planologische procedure zou dan uiterlijk in 2015 moeten beginnen. Omdat het niet wenselijk is (en vrijwel onmogelijk zelfs) dat enkele duizenden MW-en in één of twee jaar worden gerealiseerd (kraanmateriaal en levering van fabrikanten moet de bouw immers kunnen bijhouden), moeten de verschillende planologische procedures vanaf nu beginnen. De SV WOL moet dan ook bij voorkeur medio 2013 gereed zijn. Wij maken ons zorgen of de SV WOL op dat moment is afgerond. Wij verzoeken u om hiervoor een duidelijke planning te maken.
Alternatieven

In par. 1.4 van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau – Plan-MER geeft u aan dat de alternatieven ruimtelijk relevant, reëel en onderscheidend moeten zijn. Op basis van onze ervaring verzoeken wij u om ook duidelijk aan te geven dat alleen naar alternatieven op het gebied van windenergie op land wordt gekeken (en niet naar zonne-energie of windenergie op zee etc.).
Bijlage 1 van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau – Plan-MER

In bijlage 1 worden twee referentieturbines genoemd welke in het MER worden gebruikt voor de bepaling van de effecten. Wellicht is het verstandig om voor de 3MW-klasse al uit te gaan van een grotere rotordiameter. De windturbinemarkt ontwikkelt zich die kant op. Er zijn in het 3MW-segment inmiddels al windturbines beschikbaar met een rotordiameter van 112 tot 126 meter.

Daarnaast verzoeken wij u om de getallen in bijlage 1 goed door te nemen. De Enercon 126 wordt in het plaatje de E135 genoemd en in de tabel wordt een rotordiameter van 127 meter aangegeven. Om misverstanden te voorkomen dient u consequent uit te gaan van de juiste getallen.

Tot slot wil NWEA benadrukken dat voldoende gebieden nodig zijn om de doelstelling te behalen. Wellicht kan NWEA een nadere toelichting of aanvulling sturen. Wij zijn desgewenst graag bereid onze zienswijze nader mondeling toe te lichten.

Met vriendelijke groet,
Nederlandse WindEnergie Associatie NWEA

Jaap Warners, voorzitter NWEA

Ton Hirdes, directeur NWEA