Zienswijze ontwerp verordening ruimtelijk omgevingsbeleid Drenthe

NWEA heeft in zienswijze aan de provincie Drenthe aangegeven dat de mogelijkheden voor windenergie niet onnodig bemoeilijkt moeten worden. Gedeputeerde Staten van Drenthe hebben eerder de ontwerp verordening ruimtelijk omgevingsbeleid vastgesteld. Daarin staan ook regels voor windturbines.

De reactie van NWEA
In de verordening staat dat een windturbine een vermogen van minimaal 3MW moet hebben. Ondanks dat 3MW turbines steeds meer standaard zijn, ziet NWEA deze regel als een onnodige belemmering. Door deze regel worden specifieke locaties waar alleen kleinere turbines geplaatst kunnen worden (milieu, windaanbod) uitgesloten.
Daarnaast zijn alleen clusters van minimaal 5 turbines toegestaan. Deze beperkende regel sluit onnodig locaties uit, waar bijvoorbeeld een goed windaanbod is en waar qua ruimte of milieu wel minder dan 5 windturbines mogelijk zijn.

Ook buiten het aangewezen zoekgebied zijn bijvoorbeeld geschikte locaties voor windturbunes, zoals industriegebieden. NWEA geeft aan dat in het in ontwikkeling zijnde ruimtelijke beleid van de Rijksoverheid industriegebieden worden opgenomen als mogelijk zoekgebied.
In de Omgevingsvisie staat dat windturbines de zogenaamd LOFAR zone 2 gebieden niet mogen hinderen. Windenergie is ondergeschikt gemaakt, terwijl eerder aangegeven is dat deze gebieden geen beperkingen aan bedrijven en andere economische activiteiten mogen betekenen.
De zienswijze op de Ontwerp verordening ruimtelijk omgevingsbeleid aan Gedeputeerde Staten van Drenthe is hieronder opgenomen en te downloaden als PDF.

Gedeputeerde Staten van Drenthe
Postbus 122
9400 AC Assen

Plaats en datum Utrecht, 21 december 2010
Ons kenmerk Br-secr. 257N
Onderwerp: Zienswijze op Ontwerp verordening ruimtelijk omgevingsbeleid

Geacht College,

Met deze zienswijze wil de Nederlandse WindEnergie Associatie (NWEA) reageren op de ter inzage liggende Ontwerp verordening ruimtelijk omgevingsbeleid Drenthe. Wij beperken ons in deze zienswijze tot een paar punten uit de Ontwerpverordening, waarbij het er ons met name om gaat te voorkomen dat goede mogelijkheden voor windenergie onnodig onmogelijk worden gemaakt.
In NWEA werken de bedrijven en organisaties samen die in Nederland actief zijn met windenergie.
Wij stellen het overigens op prijs dat u de doelstelling voor windenergie heeft verhoogd van 60 MW in 2020 uit de Ontwerp Omgevingsvisie naar 200 MW in de uiteindelijke Omgevingsvisie. Wij wijzen er evenwel op dat landelijke en Europese ontwikkelingen en eisen ten aanzien van duurzame energie in de nabije toekomst een hogere provinciale doelstelling noodzakelijk kunnen – en ons inziens zelfs zullen - maken In deze zienswijze gaat het, net als in de ontwerpverordening, echter niet om de doelstelling zelf.
Vermogen
In artikel 3.11.1a staat dat een windturbine tenminste een vermogen van 3 MW moet hebben. Wij vrezen dat deze strikte regel tot onnodige belemmeringen kan leiden. Zo kunnen op specifieke locaties (vanwege bijvoorbeeld windaanbod of om milieuredenen) turbines van een kleiner geïnstalleerd vermogen de voorkeur hebben. En hoewel turbines van 3 MW en meer steeds meer standaard worden, zijn turbines met minder dan 3 MW opgesteld vermogen nog steeds in gebruik en productie; uitgaan van minstens 3 MW betekent een beperking in de keuze tussen verschillende soorten modellen turbines – en dat kan betekenen dat voor een plaatselijk niet optimale turbine gekozen moet worden.
Wij verzoeken u dan ook uit te gaan van ofwel ‘turbines van bij voorkeur minstens 2 MW’ ofwel op te nemen dat, mits gemotiveerd, afgeweken kan worden van de eis van 3 MW.
Minimaal 5 turbines
Uitgegaan wordt (artikel 3.11.1b) van clusters van minimaal 5 windturbines; solitaire turbines zijn niet mogelijk. Ook in dit geval willen wij waarschuwen voor onnodige belemmeringen. Er kunnen zich lokale, specifieke situaties voordoen waar minder dan 5 turbines de voorkeur hebben, zowel qua beschikbare ruimte, vanwege milieutechnische redenen en vanwege de inpassing ter plekke in het landschap. Door strikt vast te houden aan minimaal 5 windturbines kunnen locaties met een goed windaanbod onnodig buiten de boot vallen. Wij wijzen erop dat ook clusters van 3 of 4 turbines goed in het landschap kunnen passen (overigens kan dit zelfs voor solitaire turbines gelden).
Wij bepleiten dat, indien u een minimummaat voor een cluster wenst op te nemen, u uitgaat van ‘clusters van minstens 3 turbines’. Eventueel zou minimaal 5 turbines als voorkeur in de begeleidende tekst uitgesproken kunnen worden.
Zoekgebied
Artikel 3.11.1 verwijst naar de kaart uit de Omgevingsvisie (kaart 8a) met de gebieden waar windturbineparken ontwikkeld kunnen worden. Naar de mening van NWEA zijn er ook buiten de aangewezen gebieden locaties denkbaar waar windturbines goed zouden passen. Wij krijgen dergelijke signalen ook van bij ons aangesloten leden die zich bezighouden met het ontwikkelen van projecten in uw provincie. Zo zijn er industriegebieden waarbij windturbines geplaatst zouden kunnen worden die buiten het zoekgebied vallen. Het plaatsen van windturbines bij industriegebieden lijkt ook goed te gaan passen in het in ontwikkeling zijnde ruimtelijke beleid van de Rijksoverheid ten aanzien van windturbines. Met artikel 3.11.2 worden wel mogelijkheden geboden, maar dit is sterk beperkt (alleen bestaand stedelijk gebied én alleen als niet aan 3.11.1 a en b kan worden voldaan). Het zou goed zijn als dergelijke locaties een kans kregen, ook als zij buiten het aangeven ingekaderde gebied vallen.
Wij verzoeken u op te nemen dat, mits goed gemotiveerd en landschappelijk in te passen, ook plaatsing van turbines nabij industriegebieden buiten het zoekgebied mogelijk is.
LOFAR

Volgens artikel 3.11.1c mogen windturbines in zogenaamd LOFAR zone 2-gebieden LOFAR niet hinderen. Windenergie is hier ondergeschikt gemaakt t.o.v. LOFAR. Eerder is aangegeven dat LOFAR geen beperkingen oplegt aan bedrijven en andere economische activiteiten, maar slechts t.a.v. verkeersbewegingen. Wij missen de motivatie om specifiek voor windenergie een uitzondering te maken en verzoeken dan ook deze te schrappen zodat windenergie gelijk is gesteld aan andere vormen van bedrijvigheid.
Wij verzoeken artikel 3.11.1c te schrappen uit de ontwerp verordening.
Na of voor 2020

Met artikel 3.11.3 is het voor Gedeputeerde Staten mogelijk ontheffing te verlenen van artikel 3.11.1 voor een windpark buiten de gebieden van kaart 8a, mits dat ‘... na 2020 tot uitvoering geraakt.’ Naar onze mening beperkt u hiermee uw eigen mogelijkheden onnodig. Zoals in de aanhef bij deze zienswijze staat, is er een grote kans dat de provinciale doelstelling op termijn aangescherpt moet worden. Door aan te geven dat Gedeputeerde Staten ‘gemotiveerd ontheffing kunnen verlenen’ en met weglating van het jaartal, kan de verordening tijdloos worden gebruikt. Een aanscherping van de doelstelling kan dan zo’n motivering van ontheffing inhouden.
Wij verzoeken u artikel 3.11.3 aan te passen zoals hierboven beschreven.
Wij zijn graag bereid onze zienswijze nader toe te lichten.

Met vriendelijke groet,

Ton Hirdes
directeur NWEA