RVOB (Domeinen) en de grondvergoedingen

Het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf (RVOB), voorheen de Dienst Domeinen, beheert grond die in eigendom is bij het Rijk. Als daarop een windturbine wordt geplaatst, vraagt het RVOB daarvoor een vergoeding.

Het RVOB valt onder het Ministerie van Financiën. Het RVOB werkte onlangs aan een nieuw berekeningsmodel voor de grondvergoeding windturbines; NWEA is daarover met de voormalige dienst in gesprek geweest, maar heeft forse kritiek op de aanpak van het RVOB.   

Bedragen fors hoger

De nieuwe bedragen die het RVOB wil gaan berekenen, zijn fors hoger dan voorheen. Dat heeft effect voor nieuwe projecten, maar kan ook effect hebben voor bijvoorbeeld turbines die onder de MEP zijn opgesteld en waarvan de overeenkomst met het RVOB aan vernieuwing toe is. NWEA heeft becijferingen gemaakt en aan het RVOB voorgelegd, waaruit blijkt dat de grondvergoeding in sommige gevallen volgens de nieuwe rekenmethode kan oplopen tot boven de 80.000 euro per turbine. Het RVOB houdt vol dat een en ander mee valt en dat het niet de bedoeling zou zijn de prijzen exorbitant te verhogen. Overigens heeft het RVOB óók aangegeven dat het berekeningsmodel niet openbaar wordt, maar intern door het RVOB gebruikt zal worden. Afwijken van het model is mogelijk (bij het project Noordoostpolder is dat ook al gebeurd). Ontwikkelaars en exploitanten die dus van doen krijgen met het RVOB wordt aangeraden naar de argumentatie achter de voorgestelde grondvergoedingen te vragen.

Rondpompen

Er is ook een onlogica, constateert NWEA. Het ministerie van Economische Zaken verstrekt om de onrendabele top af te dekken SDE of MEP. Vervolgens vraagt het RVOB een forse bijdrage voor de grond. Geld dat EZ geeft om duurzame energie te bevorderen, vloeit dus weer terug naar het Rijk, naar Financiën. Er wordt dus als het ware geld 'rondgepompt'. De bedragen die het RVOB als grootgrondbezitter vraagt, zijn daarnaast sterk bepalend voor de grondprijzen in Nederland. Doordat het RVOB hoge vergoedingen verlangd, vragen particulieren ook hogere bedragen bij het plaatsen van windturbines. Het gevolg van dit alles is een prijsopdrijvend effect, waardoor uiteindelijk de onrendabele top van windenergie groter wordt en de SDE-bijdrage dus omhoog gaat (of minder snel daalt). EZ moet als het ware extra betalen en het beeld ontstaat dat windenergie duurder wordt.
Ook heeft NWEA vraagtekens geplaats bij de wijze waarop het RVOB met pachters van hun gronden wil omgaan. Het RVOB geeft er blijk van vooral te denken in termen van het kunnen 'overrulen' van de pachters. NWEA heeft richting RVOB en de Landelijke Uitwerking Windenergie (LUW) al aangekaart dat daar het draagvlak voor windenergie niet door zal versterken.
 
Brief met berekeningsmodel

Met het RVOB heeft afgelopen jaar een aantal bijeenkomsten plaatsgevonden en heeft inmiddels een ruime briefwisseling plaatsgevonden. Bij een van die brieven (juli 2009)  heeft het RVOB het berekeningsmodel dat het bedrijf gaat hanteren meegezonden. Deze brief met berekeningsmodel is hieronder als pdf op te vragen. Over de bijgaande brief zij nog opgemerkt dat NWEA ter plekke indertijd wel degelijk business cases aangeleverd heeft (tijdens de bijeenkomst besproken en achtergelaten). In een latere brief aan het RVOB is dat ook rechtgezet.

Aandachtspunten voor de staatssecretaris

Eind november 2009 vond een werkbezoek plaats van staatssecretaris De Jager (Financiën) aan onder meer de windturbines bij Waddinxveen. Dit werkbezoek was opgezet vanuit de DE Koepel. Het onderdeel windenergie tijdens het werkbezoek is vrijwel volledig benut om de problematiek rond het RVOB en de grondvergoedingen aan te kaarten. Vanuit NWEA gebeurde dat door de voorzitter van de commissie F&E, Guido Bakema, en bestuurslid Ton Beune. Aan de staatssecretaris is een korte brief met aandachtspunten meegegeven, waarin de discussie met het RVOB beschreven wordt.