Rijkscoördinatieregeling: risico van onnodige vertraging

De pas op de plaats die wordt gemaakt met sommige windparken in ontwikkeling die gebruik maken van de Rijkscoördinatieregeling (RCR), betekent onzekerheid voor de toekomst en zal ongetwijfeld tot vertragingen of stilvallen leiden, constateert NWEA.

Dat betekent fors kapitaalverlies en mogelijke consequenties voor het halen van de Rijksdoelstelling voor 2020.

Windparken onder de RCR die binnen een ‘provinciaal zoekgebied’ voor de Rijksstructuurvisie liggen, kunnen komende tijd gewoon doorgaan met hun activiteiten. Voor windparken buiten provinciale zoekgebieden, geldt dat er komend half jaar geen ‘onomkeerbare besluiten’ genomen mogen worden. Dat heeft minister Verhagen van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) toegezegd aan de Tweede Kamer tijdens een Algemeen Overleg Energie (AO Energie) op 19 juni en is ook het uitgangspunt in een door de Tweede Kamer op 5 juli aangenomen motie.

Enkele kamerleden bepleitten eerder een breder ‘moratorium’ voor windparken onder de RCR, totdat er duidelijkheid is over de gebieden die opgenomen worden in de Rijksstructuurvisie en over de gebieden die de provincies daarvoor aandragen. De minister vond dat te ver gaan. Hij gaf aan dat in de gebieden buiten de door de provincies genoemde gebieden RCR-projecten door kunnen gaan, maar dat er komend half jaar geen inpassingsplan gepubliceerd mag worden. Dat zou immers een onomkeerbaar besluit zijn. Andere activiteiten, zoals het opstellen van een startnotitie voor de MER, zijn dat niet. Overigens is er slechts één RCR-project dat zover is dat komende zes maanden daadwerkelijk een inpassingsplan zal kunnen verschijnen – en dat project ligt bínnen een provinciaal zoekgebied en kan dus gewoon verder.

Tijdens het laatste Kamerdebat voor het zomerreces is een motie van het PvdA-kamerlid Dikkers aangenomen, waarin uiteindelijk vooral de toezeggingen van de minister werden herhaald. De motie gaat uit van een ‘moratorium’ van zes maanden waarin geen onomkeerbare stappen gezet mogen worden voor projecten buiten de provinciale zoekgebieden.Positief punt van de motie is dat de Kamer nu (opnieuw) de noodzaak van 6.000 MW aangeeft en dat er prestatieafspraken gelden voor de provincies, geen zwakkere ‘inspanningsverplichting’. Bovendien staat in de motie dat, als de provincies onvoldoende hard genoeg ruimte voor wind op land creëren, het Rijk gebied moet aanwijzen. Oftewel: de RCR in stelling moet brengen.

NWEA is tevreden dat er uiteindelijk geen algemene tijdelijke stop op RCR-projecten komt, zoals sommige kamerleden aanvankelijk bepleitten, aangezien dat bij alle projecten tot ongewenste en onnodige vertraging had geleid. Maar NWEA constateert ook dat de toezegging van de minister en de motie veel vragen oproept voor RCR-gebieden buiten de zoekgebieden. De kans bestaat dat deze uiteindelijk geen doorgang kunnen vinden, omdat de provincies nu eerst aan zet zijn om gebieden aan te wijzen. Dat leidt ongetwijfeld in de tussentijd tot onzekerheid, vertragingen en onnodig kapitaalverlies. Bovendien zal die onduidelijkheid door bezwaarmakers worden aangegrepen om lagere overheden te bewegen pas op de plaats te maken. NWEA acht dit een onwenselijke situatie.

De toezegging van de minister en de kamermotie lijken in elk geval voor lopende windprojecten binnen provinciale zoekgebieden weinig effect te hebben. Uitgangspunt van NWEA is dat er zo min mogelijk vertraging voor windprojecten moet optreden en er zo snel mogelijk finale duidelijkheid moet komen over de ruimtelijke mogelijkheden van grootschalige windenergie. De RCR is juist bedoeld om processen te versnellen. NWEA vindt dat ook de projecten buiten de provinciale zoekgebieden zo veel als mogelijk moeten kunnen doorlopen. Om aan ruimte voor 6.000 MW windenergie op land te komen, zouden zij immers uiteindelijk wel eens hard nodig kunnen zijn, constateert NWEA.

Om die reden vindt NWEA ook dat alle 17 lopende RCR-projecten in elk geval meegenomen moeten worden in de op te stellen PlanMER voor de structuurvisie. Projecten in dat kader beoordelen, levert voor zowel markt, als bewoners en lagere overheden duidelijkheid op over de mogelijkheden van het project. Zo zou het op basis van onderzoek voor de PlanMER kunnen afvallen als mogelijke locatie. Omgekeerd kan het zomaar zijn dat een project vanuit de markt beter uit het onderzoek komt, dan een door de provincies bedachte locatie. Bovendien is het, voor het opstellen van een (juridisch) goede PlanMER zinvol meer gebied te beoordelen dan uiteindelijk nodig is. Want er vallen altijd gebieden af, of vallen kleiner uit. Ook daarom zouden alle RCR-projecten in het oordeel meegenomen moeten worden. Deze visie heeft NWEA opnieuw kenbaar gemaakt aan de minister van Infrastructuur en Milieu.

De Rijksstructuurvisie zou uiterlijk 1 juni 2013 klaar moeten zijn. In het eerste kwartaal van volgend jaar zou deze ter inzage moeten liggen.

In het AO Energie gaf de minister aan dat er nog onduidelijkheid is over de kans van mogelijke schadeclaims door vertragingen of het uiteindelijk afwijzen van gebieden die onder de RCR vallen. Volgens de Elektriciteitswet dient de Rijksoverheid deze projecten immers in behandeling te nemen en te beoordelen. In het latere kamerdebat herhaalde hij dat, net als zijn visie dat de provincies daarvoor moeten opdraaien – zij immers wilden dat de RCR-projecten niet allemaal gewoon kunnen doorlopen.

Noord-Holland

Inmiddels heeft Noord-Holland een besluit in voorbereiding om geen vergunningen meer af te geven voor nieuwe windparken bovenop een aantal lopende projecten. Noord-Holland heeft 430 MW wind op land als uitgangspunt. NWEA betreurt de opstelling van de provincie: het is slecht voor lopende initiatieven en voor de vele ondernemers en corporaties die in Noord-Holland actief zijn met wind op land. Bovendien zet het windrijke Noord-Holland het overleg tussen de provincies zo fors onder druk. Om gezamenlijk aan 6.000 MW te komen, zullen andere provincies meer mogelijk moeten maken als Noord-Holland niet verder wil gaan. NWEA zal haar mening kenbaar maken aan de provincie en ook reageren op het voorbereidingsbesluit.