Reactie NWEA op ruimtelijke plannen Groningen

Waardering voor het feit dat de provincie Groningen de doelstelling voor windenergie heeft verhoogd naar 750 MW, schrijft NWEA in een reactie op het nieuwe provinciale omgevingsplan. Het klinkt ambitieus, maar hoeft pas in 2020 bereikt te zijn. Liever ziet NWEA dat de doelstelling in 2015 gehaald wordt, met een hoger ambitieniveau voor 2020. Dat sluit beter aan op landelijke discussies.

NWEA pleit er daarnaast voor meer gebieden aan te wijzen waar windparken van de grond kunnen komen. Ook verzoekt NWEA om beleid voor 'repowering'. De brief aan de provincie Groningen is hieronder te vinden. NWEA reageert regelmatig op provinciale ruimtelijke plannen om zo te bewerkstellingen dat de ruimte die er is voor windenerergie zo optimaal mogelijk benut kan worden. Zie bijvoorbeeld ook de reactie op de omgevingsvisie van de provincie Overijssel.

Provincie Groningen
T.a.v. het College van Gedeputeerde Staten
van de provincie Groningen
Postbus 610
9700 AP GRONINGEN

Plaats en datum Utrecht, 4 maart 2009
Ons kenmerk Br-secr.176N

Onderwerp: Zienswijze Ontwerp Provinciaal Omgevingsplan 2009-2013

Geachte College,

Met belangstelling heeft NWEA kennis genomen van het ontwerp Provinciaal OmgevingsPlan III. De Nederlandse Wind Energie Associatie (NWEA) wil met dit schrijven haar zienswijze met betrekking tot het windenergiebeleid geven.

NWEA behartigt de belangen van windenergie. In NWEA werken alle organisaties en bedrijven, die in Nederland actief zijn op het gebied van windenergie, samen.

Wij waarderen het feit dat u uw doelstelling in het ontwerp POP III heeft verhoogd naar tenminste 750 MW opgesteld vermogen. Deze doelstelling lijkt ambitieus maar dient wel in het juiste perspectief te worden geplaatst. Zo dient het vermogen pas over 10 jaar, dus rond 2020 gerealiseerd te zijn. De overheiddoelstelling van 6.000 MW op land in 2020 (met een tussendoelstelling van 4.000 MW voor 2012) én de wetenschap dat Groningen een kustprovincie betreft, plaatst deze ambitie in een ander licht. NWEA zou er voor willen pleiten om dit vermogen eerder, bijvoorbeeld in 2015, te realiseren en een hogere doelstelling te formuleren voor de periode daarna, dus tot 2020.

NWEA heeft begrip voor de keuze, die is gemaakt voor grootschalige windenergie, en onderschrijft deze ook. Echter wij constateren dat meerdere locaties en/of gebieden, die ook geschikt zijn voor grootschalige opstellingen, onbenut blijven. NWEA dringt er bij u op aan het aantal locaties (beperkt) uit te breiden, waarbij gekeken zou kunnen worden naar locaties die aansluiten bij infrastructurele werken, industrieterreinen of (dunbevolkte) landschappen die zich lenen voor grootschalige opstellingen zoals de Veenkoloniën. Ook bestaande initiatieven zouden in het beleid betrokken moeten worden.

Voorts betreurt NWEA dat beleid voor ‘repowering’ ontbreekt in het ontwerp POP III. Het saneren van bestaande (solitaire) windturbineopstellingen ten gunste van nieuwbouw en opschaling in clusters op een andere locatie ('repowering'), draagt bij aan versterking van de openheid van het Groningse landschap. Deze aanpak sluit aan bij de landelijke trend van opschaling van bestaande windmolens waarbij vermogen en energieproductie sterk toenemen bij een gelijkblijvend aantal windturbines. Een ander onmiskenbaar voordeel van 'repowering' is, dat door clustering de openheid van het landschap, een van de pijlers onder uw ruimtelijke ordeningsbeleid, wordt versterkt omdat het aantal solitaire windturbines wordt verminderd.

Wij vertrouwen erop dat u voldoende aanleiding ziet deze zienswijze te verwerken in het uiteindelijke definitieve POP III.

Met vriendelijke groet,
Nederlandse WindEnergie Associatie NWEA

Jaap Warners, voorzitter