NWEA Zienswijze wetsvoorstel natuur (Wet natuur)

NWEA is positief ten aanzien van de voorgestelde vereenvoudigingen in de natuurwetgeving in Nederland (Wet Natuur). NWEA hoopt dat dit positief zal doorwerken in de verkorting van de proceduretijd voor het verkrijgen van vergunningen voor windparken op land èn op de Noordzee, staat in een zienswijze die is ingediend op het ontwerpwetsvoorstel Wet Natuur.

NWEA stelt een aantal tekstuele aanpassingen voor. De zienswijze staat hieronder opgenomen en kan als pdf worden opgevraagd.

Ministerie van Economische Zaken,
Landbouw en Innovatie
Tav internetconsultatie Wet Natuur

Datum:
18 november 2011

Onderwerp:
NWEA Zienswijze wetsvoorstel natuur (Wet natuur)

Geachte dames en heren,

Met belangstelling heeft de Nederlandse WindEnergie Associatie (NWEA) kennis genomen van het ontwerpwetsvoorstel natuur (Wet natuur) die sinds 6 oktober jl. ter inzage ligt. NWEA wil met dit schrijven haar zienswijze met betrekking tot dit ontwerpwetsvoorstel geven.

Algemeen
NWEA is positief ten aanzien van de voorgestelde vereenvoudigingen in de natuurwetgeving in Nederland, en hoopt dat dit ook positief zal doorwerken in de verkorting van de proceduretijd voor het verkrijgen van vergunningen voor windparken op land èn op de Noordzee. Graag zou NWEA de consequenties van de wet voor activiteiten op de Noordzee zoals het bouwen en exploiteren van windparken nader toegelicht zien.

Bescherming van soorten volgens de Vogelrichtlijn
In de toelichting op de wet wil NWEA graag een nadere beschrijving opgenomen zien van het begrip ‘opzettelijk’ als het gaat om artikel 3.1: “Het is verboden opzettelijk vogels te doden of te vangen.” In de toelichting zou expliciet duidelijk gemaakt dienen te worden dat het exploiteren van windturbines (evenals andere activiteiten zoals wegverkeer etc.) niet gezien wordt als het moedwillig doden van vogels.
Verder wordt in paragraaf 3.1, artikel 3.1 tot en met 3.4 de bescherming van soorten volgens de Vogelrichtlijn geregeld. Volgens artikel 3.3 kan het bevoegd gezag ontheffing verlenen van een of meer verboden als bedoeld in artikel 3.1 ten aanzien van vogels en daarbij aangewezen soorten, dan wel hun nesten, rustplaatsen of eieren. In artikel 3.3 lid 4 worden de voorwaarden gesteld waaraan voldaan moet worden om ontheffing te kunnen verlenen.
NWEA pleit er voor om artikel 3.3 lid 4 sub b punt 1˚ als volgt te wijzigen, waarbij de toevoeging cursief is weergegeven:
“b. zij is nodig
1˚. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid of om andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten;”
Door middel van deze toevoeging is dit artikel in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 lid 5 van het ontwerpwetsvoorstel, waarin de bescherming van soorten volgens de Habitatrichtlijn wordt geregeld.

Zorgplicht
In paragraaf 5.5 (Zorgplicht) in de Memorie van Toelichting bij de Wet natuur wordt onder meer het volgende gesteld:
"Voor de bescherming van soorten – los van het Natura 2000-regime – heeft de zorgplicht naast de verwoording van een algemeen zorgvuldigheidsbeginsel eigenstandige betekenis. De voorgestelde zorgplicht brengt geen aanvullende verplichtingen met zich voor soorten die op grond van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn en het Verdrag van Bern strikt beschermd moeten worden: het is voldoende dat wordt voldaan aan de vereisten van dat specifieke regime (paragrafen 3.1, 3.2 en 3.3 van het wetsvoorstel). De toegevoegde waarde is er voor de bescherming van die soorten in gelegen dat de zorgplicht kan worden gebruikt voor preventief handhavend optreden, waarmee overtreding van verbodsbepalingen wordt voorkomen. Wanneer bijvoorbeeld door handelen of nalaten van een initiatiefnemer nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor beschermde soorten, kan handhavend worden opgetreden, terwijl er nog geen sprake is van overtreding van de voor die soorten geldende verbodsbepalingen."
Zorgvuldig optreden is uiteraard essentieel wanneer er beschermde soorten in het geding zijn. Een zorgplicht welke kan leiden tot preventief handhavend optreden introduceert echter rechtsonzekerheid voor initiatiefnemers. NWEA verzoekt dan ook om deze algemene zorgplicht niet op te nemen in de Wet natuur óf in de Memorie van Toelichting duidelijk te omschrijven onder welke voorwaarden er preventief gehandhaafd kan worden.

Wijziging Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Artikel 10.7 van de Wet natuur introduceert twee nieuwe activiteiten waarvoor een omgevings-vergunning benodigd is (art. 2.1 lid 1 sub j en k van de Wabo). Op deze omgevingsvergunningen is de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing. Artikel 3.10 Wabo wordt immers niet gewijzigd met de inwerkingtreding van de Wet natuur. Voor de snelle realisatie van windenergie is het van belang dat de procedures zo kort mogelijk worden gehouden. NWEA juicht het dan ook van harte toe dat de reguliere voorbereidingsprocedure op de nieuwe omgevingsvergunningen voor natuuraspecten van toepassing is. De tekst op pagina 127 van de Memorie van Toelichting lijkt er echter op te wijzen dat niet de reguliere maar de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. Uit de Memorie van Toelichting lijkt immers te volgen dat er een verklaring van geen bedenkingen benodigd is, in welk geval volgens artikel 3.10 Wabo de uitgebreide procedure van toepassing is.

De Memorie van Toelichting verwoordt dit als volgt:
"Met het onderhavige wetsvoorstel wordt ook de aansluiting bij de omgevingsvergunning versterkt: bij locatiegebonden projecten zal niet meer gekozen kunnen worden voor een aparte vergunning voor de natuuraspecten, maar zullen de natuuraspecten te allen tijde worden betrokken in de omgevingsvergunning (voorgesteld artikel 2.7, vierde lid, en artikel 10.7). Vooralsnog blijft nog wel worden uitgegaan van het systeem van de verklaring van geen bedenkingen, af te geven door het bevoegde gezag voor de vergunning die is vereist voor projecten met mogelijk significant negatieve gevolgen op grond van het voorgestelde artikel 2.7, tweede lid: over het algemeen de provincie in enkele specifieke gevallen het Rijk (voorgesteld artikel 1.3, vijfde lid)."

NWEA verzoekt u dan ook dringend om de Memorie van Toelichting zodanig aan te passen dat duidelijk is dat geen verklaring van geen bedenkingen benodigd is voor de omgevingsvergunningen voor natuuraspecten dan wel te bepalen dat het mogelijk blijft om te kiezen voor een aparte vergunning voor de natuuraspecten. Op deze wijze kan worden bereikt dat de vergunningverlening voor projecten (niet alleen windturbines maar in algemene zin) welke passen binnen een geldend bestemmingsplan en waarvoor derhalve al een zorgvuldige afweging heeft plaatsgevonden, niet vertraagd wordt.

Wij gaan ervan uit dat onze zienswijze wordt betrokken bij de definitieve formulering van dit wetsvoorstel. Uiteraard is NWEA graag bereid haar zienswijze mondeling toe te lichten.

Met vriendelijke groet,
Nederlandse WindEnergie Associatie NWEA

Jaap Warners (voorzitter)