NWEA tijdens rondetafel structuurvisie: "Meer ruimte reserveren"

De structuurvisie wind op land is een belangrijke stap wat betreft de ruimtelijke randvoorwaarden voor windenergie. En ook al telt het totaal nog niet op tot 6.000 MW en zullen er gebieden afvallen, naar de mening van NWEA zou de Tweede Kamer de structuurvisie nu moeten vaststellen zodat verloren tijd ingehaald kan worden.

Dat bepleitte NWEA tijdens het rondetafelgesprek over de Structuurvisie Wind op Land dat op 23 mei door de Tweede Kamer was georganiseerd. Tegelijk pleitte NWEA er voor om meer ruimte voor wind te reserveren en voor een goede monitoring van de prestatieafspraken die de provincies met het Rijk hebben afgesproken.

Het rondetafelgesprek was georganiseerd door de commissie Infrastructuur & Milieu en de commissie Economische Zaken van de Tweede Kamer.  Vertegenwoordigers van verschillende maatschappelijke organisaties kregen de kans hun mening te geven over de concept-Structuurvisie en vragen van Tweede Kamerleden te beantwoorden. Naast NWEA waren onder meer uitgenodigd het IPO, de Windunie, de milieufederaties, het NKPW, de gemeente Amsterdam, het Blauwe Hart en de TU Delft.

Om uiteindelijk 6.000 MW wind op land in 2020 daadwerkelijk te realiseren, gaf NWEA-directeur Ton Hirdes aan, is het van belang meer ruimte te reserveren: "Niet alleen vanwege het risico van wegvallende gebieden; het geeft lokale bestuurslagen ook de mogelijkheid tot maatwerk." Rijk en de provincies hebben voor het grootste deel van de noodzakelijke 6.000 MW in een bestuursakkoord vastgelegd waar die kunnen komen. "Echter, zoals de studie van Bosch en van Rijn (‘Toetsen plan IPO 6.000 MW’) aangeeft, is het maar zeer de vraag of de gestelde ambities met deze structuurvisie gerealiseerd gaan worden. Veel locaties zullen afvallen of kleiner uitpakken, onder meer omdat bepaalde factoren nog niet zijn meegenomen, zoals verspreide bebouwing. De overheden lijken op dit moment te kiezen voor de meest krappe benadering en veel vertrouwen te stellen in besluitvorming in lagere bestuurslagen om tijdig eventuele vervangende ruimtelijke opties te bieden."

NWEA acht het noodzakelijk dat al vroegtijdig reservegebieden in beeld komen. Deze aanvulling op de Structuurvisie kan parallel lopen met de aanvulling die nog moet komen omdat de provinciale gebieden nog niet optellen tot 6.000 MW en(mogelijk) uit de doorrekening van de verhoogde doelstelling van 16% duurzame energie. Hirdes: "Zo wordt voorkomen dat er nu vertraging in het proces ontstaat en kan de Structuurvisie in zijn huidige vorm vastgelegd worden voor de gebieden waarover al duidelijkheid bestaat, waarna overheden en sector aan de slag kunnen om de verloren tijd van de afgelopen jaren in te halen."

Voor de mogelijk aanvullende gebieden kan, meent NWEA, allereerst gekeken worden naar gebieden die eerder al in beeld waren, bijvoorbeeld bij de ruimtelijke zoektocht door het Rijk, de gebieden waar een procedure onder de Rijkscoördinatieregeling (RCR) voor is aangevraagd en door gebruik te maken van door gemeenten gewenste locaties. Het havengebied bij Amsterdam is een voorbeeld van dat laatste. Dat voorbeeld werd door de vertegenwoordiger van de Gemeente Amsterdam tijdens het rondetafelgesprek uitgebreid toegelicht.