Landelijke Uitwerking Windenergie Onshore NL

De groei van hernieuwbare energie moet de komende vier jaar vooral van windenergie op land komen, staat in de Rijksbegroting voor 2008. Gesproken wordt over een groei met 2000 MW productievermogen op land. NWEA, de Nederlandse WindEnergie Associatie, steunt deze ambitie en zal zich vol inzetten om deze te realiseren en publiceert daarom een Oproep tot actie - Landelijke Uitwerking Windenergie Onshore NL.

Om onder meer die groei de komende vier jaar mogelijk te maken, werken de ministeries van VROM en Economische Zaken al enige tijd aan een Nationale aanpak windenergie/Landelijke Uitwerking Windenergie (LUW).
Om de totstandkoming van die LUW te versnellen heeft NWEA de ‘Oproep tot actie - Landelijke Uitwerking Windenergie Onshore NL’ opgesteld. De 'oproep' geeft een overzicht van de belangrijkste zaken die aangepakt moeten worden om de forse uitbreiding van windenergie op land die het Kabinet voorstaat waar te maken. Daarnaast wordt vooruitgekeken naar 2020.

Als de door NWEA geconstateerde knelpunten kordaat worden aangepakt, moet in 2011 een opgesteld vermogen van 3500 tot 4000 MW mogelijk zijn. Dat zal dan grotendeels moeten komen van projecten die nu al in voorbereiding zijn. NWEA waarschuwt ervoor dat anticiperen op de nog te ontwikkelen planologische visie op langere termijn, op basis van het advies van de Rijksbouwmeester, niet mag leiden tot stagnatie. Gebeurt dat wel, dan is het Kabinetsdoel van verdubbeling van windenergie niet haalbaar.

De 'Oproep tot actie' staat hieronder.

Klink hier voor de aanbiedingsbrief aan de minister van VROM.

Oproep tot actie - Landelijke Uitwerking Windenergie Onshore NL

Dit commentaar is ingedeeld in 2 periodes, fase 1 van 2007-2011 en fase 2 van 2012-2020.

Periode 2007-2011 (fase 1)

Doelstelling:
NWEA is van mening dat voor de periode tot 2011 een doel van minimaal 3.500 MW (3.500MW tot 4.000MW) opgesteld vermogen windenergie op land haalbaar is en moet worden nagestreefd, waarbij het noodzakelijk is dat de belangrijkste thans optredende knelpunten op zeer korte termijn worden aangepakt en opgelost, liefst nog in 2007.

Belangrijk is dat het huidige beleid als kader blijft gelden voor de realisatie van deze doelstelling. Immers, het grootste deel van deze minimaal 3.500MW moet worden ingevuld met projecten die nu reeds in voorbereiding zijn (“de pijplijn”) en dus op basis van het huidige beleid zijn gestart.

De nog te ontwikkelen planologische visie op windenergie (als uitwerking van het advies Rijksbouwmeester) staat nog in de kinderschoenen. Gedurende de komende jaren zal het advies moeten worden uitgewerkt in een breed gedragen visie, die tot stand komt en uitgewerkt wordt in overleg met alle betrokken partijen. Die visie vormt de basis voor toekomstig beleid. Gelet op de in dit land aanwezige ervaring met het ontwikkelen en vervolgens implementeren van nieuw planologisch beleid, is dit beleid pas van belang voor de periode ná 2011 en dus de te realiseren doelstelling van fase 1. Voorkomen dient te worden dat anticiperen op nieuw beleid leidt tot stagnatie en het risico van het niet behalen van de doelstelling

Knelpunten:
De door de branche ervaren knelpunten hebben betrekking op:
1. Geluid: de gevolgen van een stabiele atmosfeer op de geluidsproductie van hoge windturbines (het zogeheten “Van den Berg”-effect);
2. Veiligheid (gehanteerde normen in het Handboek Risicozonering Windturbines);
3. Beperkingen rond defensieradar posten;
4. Onduidelijkheid omtrent de nieuwe stimuleringsregeling (SDE-regeling) en de datum waarop deze regeling in werking treedt;
5. Onduidelijkheid over het Rijksbeleid ten aanzien van windenergie, resulterend in strijdige aanbevelingen en richtlijnen voor lagere overheden;
6. Beperkingen ten aanzien van de transportcapaciteit in Noord Nederland.

Ad 1 Geluid
Het door dr. F. van den Berg in 2003 geconstateerde effect dat (tijdens zomeravonden) bij een stabiele atmosfeer inversie optreedt en de geluidsbelasting van een windturbine aan de grond hoger is dan onder normale atmosferische omstandigheden het geval is, wordt door omwonenden en vergunningverleners vaak aangevoerd als argument tegen de plaatsing van windturbines. In 2004 heeft de Staatssecretaris van VROM gezegd dat nader onderzoek nodig is om te bepalen onder welke omstandigheden dit effect optreedt, hoe vaak deze omstandigheden zich voordoen en in hoeverre de huidige geluidsnormen en –regels in deze situatie voldoende zijn. Om het draagvlak voor windenergie te vergroten is duidelijkheid omtrent dit effect (en eventuele aanpassingen van normen en regels) noodzakelijk.
Dit toegezegde onderzoek met betrekking tot de geluidsbelasting ten gevolge van windturbines bij stabiele atmosfeer en inversie dient zo spoedig mogelijk opgestart en afgerond te worden. NWEA heeft medio 2007 opnieuw haar voorstel voor dit onderzoek aan het Ministerie aangeboden. Het onderzoek moet antwoord geven op de volgende vragen:
Hoe vaak is sprake van een stabiele atmosfeer en inversie?
Is er verschil in kust-, midden- en binnenlandlocaties?
Hoe groot is de invloed hiervan op de geluidsbelasting van windturbines aan de grond? En vanaf welke ashoogte is deze invloed significant?
Is de huidige regelgeving adequaat om het geluid van windturbines ook onder deze omstandigheden te reguleren en te meten?
Indien de regelgeving aangepast zou moeten worden, dient dit op zo kort mogelijke termijn te gebeuren om duidelijkheid te bieden aan initiatiefnemers, vergunningverleners en omwonenden.

Ad 2 Veiligheid (Handboek Risicozonering Windturbines)
Het Handboek Risicozonering Windturbines is in januari 2005 herzien. Hierbij zijn richtlijnen opgenomen voor de bepaling van risicocontouren rond windturbines, uitgaande van het nieuwe BEVI dat echter niet van toepassing is voor windturbines. De 10-6 contour voor het individueel risico (IR) wordt aangegeven als richtlijn waarbinnen zich geen (beperkt) kwetsbare objecten mogen bevinden. In de praktijk wordt deze richtlijn door het Bevoegd Gezag echter letterlijk geïnterpreteerd. Het gevolg is dat bijvoorbeeld windturbines op een afstand van meer dan 160 meter van kantoren (beperkt kwetsbare objecten) dienen te worden geplaatst. Hierdoor is plaatsing van windturbines op bedrijfs- en industrieterreinen vrijwel onmogelijk. Dit is strijdig met het breed gedragen beleid van VROM dat deze locaties juist benut zouden moeten worden voor plaatsing van windturbines.

Daarnaast worden in het Handboek Risicozonering Windturbines generieke waarden voor windturbines gegeven, die gebaseerd zijn op statistische gegevens van (mogelijke) calamiteiten, die betrekking hebben op de eerste generaties windturbines (1995). Deze waarden zijn echter niet maatgevend voor de huidige generatie, sterk verbeterde, maar ook grotere windturbines. Het gebruik van deze verouderde statistische gegevens resulteert in te stringente en dus onnodig beperkende voor plaatsing van windturbines.

NWEA dringt erop aan dat het Handboek Risicozonering Windturbines op voornoemde aspecten nader wordt getoetst en wordt geactualiseerd. Tevens dient duidelijkheid te worden gegeven over de juiste uitleg van de 10-6 contour voor het IR. Bij voorkeur zou een specifieke veiligheidsnorm voor windturbines ontwikkeld moeten worden.

Ad 3 Uitsluitingsgebiedenen rond defensie radarposten
Sinds enige tijd stelt het Ministerie van Defensie dat in een zone van 30 km rond radarposten geen objecten hoger dan 40 meter mogen worden geplaatst. Grote delen van Nederland (onder meer Kop van Noord Holland, Friesland, Zeeland) worden op deze wijze geheel uitgesloten voor plaatsing van windturbines.
Bij de vaststelling van deze uitsluitinggebieden wordt geen rekening gehouden met (de radarschaduw) van bestaande gebouwen. Ook bestaat de indruk dat de hardheid van deze uitsluitinggebieden voor verschillende activiteiten verschillend wordt uitgelegd. Daarnaast zijn mitigerende maatregelen mogelijk. Deze vragen echter een coöperatieve opstelling van het Ministerie van Defensie.
NWEA dringt erop aan dat deze mitigerende maatregelen op korte termijn op haalbaarheid en effectiviteit worden onderzocht.
Daarbij dient nadrukkelijk ook onderzocht te worden in hoeverre de huidige Nederlandse regels ter voorkoming van radarhinder reëel zijn. In de ons omringende landen wordt dit effect anders, met ruimere plaatsingsmogelijkheden voor windturbines, beoordeeld.

Ad 4 Onduidelijkheid omtrent nieuwe stimuleringsregeling (SDE)
Omdat onduidelijkheid bestaat over de nieuwe stimuleringsregeling (SDE-regeling) worden investeringen door initiatiefnemers uitgesteld en worden in veel gevallen lopende vergunningprocedures door lagere overheden opgeschort. De nieuwe regeling en de bijdragen per kWh zijn nog niet bekend. Naar verwachting zal dit pas begin 2008 bekend worden en treedt de nieuwe SDE regeling niet eerder dan april 2008 in werking. Wanneer de eerste toekenningen ook in april 2008 zouden volgen, dient met levertijden voor windturbines van 16 – 20 maanden rekening te worden gehouden. Dit betekent dat pas vanaf medio 2010 de eerste windturbines onder het SDE-regime in bedrijf worden genomen. NWEA constateert dan ook dat stoppen van de MEP en de invoering van de nieuwe SDE-regeling heeft geleid tot stagnatie en verlies van kostbare tijd, waardoor de doelstelling voor windenergie voor deze kabinetsperiode in gevaar komt.
Om de doelstelling van minimaal 3.500 MW op land in 2011 te kunnen halen, dienen zo spoedig mogelijk de nieuwe SDE-regeling en de SDE-bijdragen bekend te worden gemaakt. Met betrekking tot de overige knelpunten dienen extra inspanningen te worden verricht, zodat bij de ontwikkeling van windenergie verder geen enkele tijd meer verloren gaat.

Ad 5 Onzekerheid over het Rijksbeleid bij lagere overheden
Veel lagere overheden aarzelen bij besluiten over plaatsing van windturbines. De Rijksoverheid verzuimt het dwingend belang van windenergie voor het bereiken van de energie- en klimaatdoelstellingen duidelijk te maken. Daarnaast geeft de Rijksoverheid lagere overheden een groot aantal onderling conflicterende aanbevelingen. Voorbeelden zijn de hiervoor aangehaalde geluidsproblematiek. De Staatssecretaris van VROM kondigt onderzoek aan, maar vervolgens wordt niets opgestart. Defensie stelt uitsluitinggebieden rond radarposten vast en is niet bereid tot constructief overleg over mitigerende maatregelen. Economische Zaken zet de stimuleringsregeling stop zonder tijdig voor een alternatief te zorgen.

Onder deze omstandigheden geven de lagere overheden de voorkeur aan andere, minder controversiële activiteiten. Ook vragen lagere overheden zich af of het zinvol is veel tijd en inspanning te steken in vergunningen voor windturbines, die wegens het ontbreken van of onduidelijkheid over een adequaat stimuleringsregime mogelijk toch (voorlopig) niet gerealiseerd worden.

Het recente voorstel van de Rijksbouwmeester om nieuw nationaal ruimtelijk beleid te ontwikkelen met concentratiegebieden voor windenergie en vrijwaringsgebieden (vides) wordt inmiddels door lokale en regionale overheden aangegrepen om de besluitvorming over windenergie op te schorten dan wel eerder toegezegde planologische medewerking aan initiatieven in te trekken.

NWEA dringt erop aan dat nadrukkelijk door de Rijksoverheid wordt uitgedragen dat plaatsing van minimaal 3.500MW wind op land om ‘dwingende redenen van groot openbaar belang’ nodig is, en dat besluitvorming over plaatsing vooralsnog op basis van het huidige vigerende beleid moet plaatsvinden. Anticipatie op nieuw ruimtelijk beleid leidt de facto tot een standstill waardoor de doelstelling niet gehaald wordt.
Onderzocht zou kunnen worden in hoeverre een tijdelijke vergunning voor een periode van 15 – 20 jaar mogelijk is, vergelijkbaar met het systeem van een tijdelijke vergunning (max. 5 jaar) op grond van artikel 17 WRO. Dit maakt op langere termijn overgang naar een nieuw beleid mogelijk zonder op korte termijn de hoognodige snelheid te verliezen

Ad 6 Toewijzing transportcapaciteit
Momenteel blijkt de transportcapaciteit in Noord Nederland onvoldoende voor de aansluiting en het transport van nieuw windenergievermogen. Dit is het gevolg van claims van nog niet vergunde kolen- en gascentrales. Als gevolg hiervan kan in Groningen, Drenthe, Friesland en in Overijssel in het gebied ten noorden van Zwolle géén nieuw windvermogen worden aangesloten.
NWEA dringt erop dat, overeenkomstig de aanbeveling in EU Richtlijnen (ter bevordering van de toepassing van hernieuwbare energie), productievermogen dat (vrijwel) uitsluitend gebruik maakt van duurzame energie met voorrang moet worden aangesloten op het landelijk hoogspanningsnet.

Periode 2012-2020 (fase 2)
NWEA dringt erop aan ook voor het jaar 2020 een minimum doelstelling ten aanzien van windenergie (op land en op zee) vast te stellen. Alleen zo wordt gewaarborgd dat langlopende planologische besluitvorming wordt opgestart en dat initiatiefnemers deze ontwikkelingen kunnen en willen trekken.
Minstens 6.000MW wind op land in 2020 is haalbaar. Hierbij is uitgegaan van de volgende veronderstellingen:
· 2007: 1.600MW gerealiseerd.
· 2011: minstens 3.500MW gerealiseerd, met name met windturbines tot ca. 3MW (eventueel uitloop in 2012 om 3.500-4.000MW te verwezenlijken).
· 2012-2020: Op basis van uitwerking advies Rijksbouwmeester wordt Nieuw Nationaal Beleid Windenergie ingevoerd, met aanwijzing concentratiegebieden voor windturbines groter dan 3MW. Hierbij dient het volgende in acht te worden genomen:
o Géén standstill gedurende de ontwikkeling van het nieuwe ruimtelijk beleid.
o Zeer grote windturbines worden in de praktijk met name ontwikkeld voor offshore toepassingen. Voor landlocaties blijven vooral kleinere vermogens (1 – 3MW) in gebruik, buiten de concentratiegebieden.
o Tijdig voldoende capaciteit in het landelijk net reserveren en aanleggen.
o De ervaring heeft geleerd dat meer concentratiegebieden moeten worden aangewezen dan aanvankelijk nodig lijken, omdat in de verdere besluitvorming bepaalde deelgebieden alsnog zullen afvallen.
· 2012-2020: Plus 3000MW, met name in concentratiegebieden. Daarnaast vindt ‘opschaling’ plaats van bestaande turbines (van 1.000MW naar 2.000MW), op de bestaande locaties of uitgevoerd in de concentratiegebieden.

Opmerkingen:
Concentratiegebieden zijn alleen realiseerbaar als daar ook echt ruimte wordt gemaakt voor wind. Een belemmeringen-model (zeefanalyse), zoals tot nu toe is gehanteerd, is daarvoor niet geschikt. Wat nu harde belemmeringen zijn of lijken, moeten dan (kunnen) wijken. Bijvoorbeeld verplaatsing van andere gebruiksfuncties.

Er wordt op dit moment vanuit meerdere instanties onderzoek verricht naar de mogelijkheden van smart grids of intelligente netwerken. Deze elektriciteitsnetten van de toekomst zullen gebaseerd zijn op lokaal opgewekte - vooral duurzame - energie en op informatietechnologie. Naast de technologische ontwikkeling die hiervoor nodig is, zal ook de wetgeving en de organisatorische structuur van de elektriciteitsvoorziening aangepakt moeten worden. NWEA dringt erop aan dat de consequenties van de modernisering van de elektriciteitsdistributie (technisch, juridisch, organisatorisch etc.) voor de inpassing van windenergie en vice versa vroegtijdig worden onderzocht.

BLOW II (opvolger van BLOW)
Om voor de hiervoor genoemde plannen bestuurlijk commitment te krijgen is op korte termijn een opvolger van de BLOW overeenkomst nodig. Deze zou gesplitst moeten zijn in afspraken voor de periode tot 2011 (fase 1) en afspraken voor de periode daarna, waarin het advies van Rijksbouwmeester wordt betrokken (fase 2).
In 2010 zal deze overeenkomst geëvalueerd moeten worden om te beoordelen of de doelstelling voor 2011 gehaald wordt en, zo niet, welke intensivering noodzakelijk is. Een tweede evaluatiemoment ligt in 2011/2012. Op dat moment dient tenminste 3.500 MW op land te zijn gerealiseerd en richt zich de aandacht op de daaropvolgende periode (fase 2).