NWEA evalueert voortgang knelpunten wind op land

Eind januari zijn in het Nationaal Plan van Aanpak Windenergie een aantal belemmeringen benoemd die opgelost moeten worden om de verdubbeling van windenergie mogelijk te maken. Deze knelpunten (en enkele andere) waren eerder ook al vanuit NWEA aangedragen.

Nu, zeven maanden later, heeft NWEA geëvalueerd wat de aanpak van de knelpunten inmiddels heeft opgeleverd. Aan de oplossing van de knelpunten is in de tussentijd gewerkt, constateert NWEA. In sommige gevallen leverde dat resultaat op, in anderen gevallen nog niet. In een brief aan de landelijk projectleider Landelijke Uitwerking Windenergie is de balans opgemaakt.

Ministerie van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieu
T.a.v. mevrouw G. Fenten
Projectleider Landelijke Uitwerking Windenergie
Postbus 20951
2500 EZ DEN HAAG

Plaats en datum Utrecht, 18 september 2008
Ons kenmerk Br-secr.153N

Onderwerp:
Plan van aanpak Landelijke Uitwerking Windenergie – Voortgang aanpak knelpunten

Geachte mevrouw Fenten, beste Gerrie,

Eind januari 2008 heeft een brede coalitie het Plan van aanpak Landelijke Uitwerking Windenergie vastgesteld. NWEA heeft in oktober 2007 op basis van haar kennis en praktijkervaring de knelpunten aangegeven, die de grootste belemmering vormen bij de ontwikkeling en realisatie van windenergieprojecten. Er zijn werkgroepen geformeerd om deze knelpunten aan te pakken. NWEA heeft bij herhaling haar kennis en ervaring aangeboden. Helaas is daar naar ons oordeel nog te weinig gebruik van gemaakt.

Wij zijn inmiddels zeven maanden verder en maken graag samen met u de balans op.

Geluid:
Ten aanzien van de geluidsbelasting van hoge windturbines en de vermeende onduidelijkheid over de normen en meetmethode hiervoor is duidelijkheid geschapen.
Het Ministerie van VROM heeft vastgesteld dat de huidige regels en normen voldoen. Het Ministerie overweegt dan ook niet de regels, normen of meetmethode aan te passen.
Wel is besloten, mede in het kader van Europese harmonisatie, de Europese norm voor de bepaling van geluidsbelasting Lden versneld in te voeren.
NWEA heeft erop aangedrongen dat het Ministerie van VROM deze gedragslijn actief uitdraagt via onder meer Infomil, een door gemeentelijke en provinciale ambtenaren en adviseurs veel geraadpleegde bron.
Het knelpunt ‘geluid’ lijkt hiermee opgelost.

Jammer is evenwel dat de Minister van Economische Zaken tijdens het Algemeen Overleg met de Tweede Kamer op 1 juli jl. meldde, dat er nog steeds onduidelijkheid bestaat over de geluidsbelasting van de hoge windturbines en over de hiervoor van toepassing zijnde regels, normen en meetmethode.

Radar:
Een interdepartementale werkgroep is enkele keren bijeen geweest. Ook hebben vertegenwoordigers van het Ministerie van Defensie en NWEA samen aan tafel gezeten. Door NWEA is onder meer de plaatsing van steunradars voorgesteld. Deze oplossing lijkt niet overgenomen. Onderzocht wordt onder meer of en zo ja, op welke wijze, gegevens van meerdere radarstations gekoppeld kunnen worden. Deze oplossing vergt enerzijds een aanpassing van de software. Anderzijds is nog niet duidelijk op welke wijze de koppeling tot stand gebracht moet worden. Naar verwachting zal deze aanpak pas op een termijn van twee à drie jaar geïmplementeerd worden.
De gekozen oplossing voor dit knelpunt zal naar verwachting niet binnen de huidige kabinetsperiode tot resultaat leiden.
Ook is onvoldoende duidelijk of het koppelen van meerdere radarstations voldoende mogelijkheden schept voor plaatsing en repowering/opschaling van windparken in de windrijke gebieden, zoals Zeeland, West Brabant, Kop van Noord-Holland en Friesland.

In de externe projectgroep LUW is kort voor de zomer aangegeven dat een brief in voorbereiding is waarin is aangegeven welke projecten volgens de interdepartementale werkgroep vanwege radarproblematiek wel en welke geen doorgang zouden kunnen vinden, en voor welke projecten een maatoplossing mogelijk lijkt. Deze brief zou duidelijkheid moeten bieden aan ontwikkelaars. Deze brief is nog niet verstuurd.
Deze brief levert echter geen oplossing voor dit knelpunt. Het mag duidelijk zijn dat NWEA meer behoefte aan een brief waarin wordt aangegeven op welke wijze het knelpunt wél opgelost kan en zal worden.

Beperkte aansluit- en transportcapaciteit elektriciteitsnet:
In principe kan iedereen worden aangesloten op het elektriciteitsnet. Een aansluiting zonder recht op transport heeft echter geen waarde.

Naar aanleiding van de motie van Samsom c.s. werkte het Ministerie van Economische Zaken aan een voorstel tot wijziging van de Elektriciteitswet met als doel duurzaam productievermogen met voorrang aan te sluiten en te transporteren. Deze actie is, naar NWEA begrepen heeft, opgeschort / aangehouden in afwachting van het voorstel van EnergieNed voor de oplossing van de transportproblemen (congestiemanagement).

Het systeem van congestiemanagement dat momenteel door EnergieNed wordt uitgewerkt, heeft voor windturbine exploitanten echter dezelfde tekortkomingen als het systeem dat eerder door TenneT was voorgesteld. EnergieNed houdt in haar voorstel geen rekening met het specifieke karakter van productievermogen dat gebruik maakt van niet‑regelbare duurzame energiebronnen. EnergieNed meent dat een dergelijk onderscheid discriminatoir zou zijn. De huidige Codes bevatten echter ook bepalingen waarbij voor productievermogen dat gebruik maakt van niet‑regelbare duurzame energiebronnen een uitzondering wordt gemaakt. Voorts stelt EnergieNed dat wanneer duurzaam productievermogen op basis van een nieuwe wettelijke bepaling bij voorrang moet worden aangesloten en getransporteerd, windturbine exploitanten niet zullen deelnemen aan congestiemanagement. Of en wanneer een dergelijke voorrangsbepaling in de Elektriciteitswet wordt opgenomen, is een beleidskwestie en valt daarmee onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Economische Zaken.

Uitsluitend indien een adequate voorrangsregeling voor productievermogen, dat
gebruik maakt van niet-regelbare duurzame energiebronnen in de Elektriciteitswet
wordt opgenomen, zou het knelpunt ‘beperkte capaciteit elektriciteitsnet’ zijn opgelost.

NWEA dringt er dan ook op aan dat het Ministerie van Economische Zaken met grote voortvarendheid de wetswijziging invoert op grond waarvan duurzaam productievermogen, c.q. productievermogen dat gebruik maakt van niet‑regelbare duurzame energiebronnen, bij voorrang moet worden aangesloten en getransporteerd.

Het Ministerie van Economische Zaken, TenneT en EnergieNed stellen dat congestie pas
op termijn een probleem zal worden. Maar netbeheerders maken in hun aanbiedingen voor aansluitingen en transport momenteel al een voorbehoud voor het geval congestie optreedt. Wanneer op enig moment congestie optreedt, kunnen de netbeheerders het transport van energie niet meer garanderen. Financiers en investeerders die met dit voorbehoud worden geconfronteerd, zien af van realisatie van het voorgenomen windenergieproject.
Het is op dit moment nog volstrekt onduidelijk of dit knelpunt tijdig en op voor de implementatie van windenergie adequate wijze kan en zal worden opgelost.

Risicozonering:
De kwestie van de risicozonering bij buisleidingen is oplosbaar. Op basis van een project specifieke risicoanalyse en berekening kan bepaald worden of de risico’s aanvaardbaar zijn en de normen niet overschreden worden.

De kwestie van de risicozonering bij bedrijventerreinen is nog niet opgelost.
In het Handboek Risicozonering Windturbines is een richtlijn opgenomen voor risicocontouren. Deze richtlijn is ontleend aan het BEVI. Het BEVI is echter niet bedoeld en niet van toepassing voor windturbines. Niettemin verklaren veel gemeentelijke en provinciale ambtenaren het BEVI van toepassing op de plaatsing van windturbines (op bedrijventerreinen). De in het Handboek vermelde richtlijn wordt zonder nadere beoordeling overgenomen als norm.

NWEA stelt voor een specifieke veiligheidsnorm voor windturbines te ontwikkelen.
Tot deze specifieke norm is vastgesteld, dient in het Handboek Risicozonering Windturbines opgenomen te worden dat windturbines zijn toegestaan binnen de 10-6 contour mits wordt voldaan aan een risicowaarde voor het plaatsgebonden risico voor beperkt kwetsbare objecten van 10-6. Ook stelt NWEA voor in het Handboek Risicozonering Windturbines mogelijke mitigerende maatregelen op te nemen.

NWEA dringt erop aan dat het Ministerie van VROM via Infomil duidelijk maakt dat het
BEVI niet van toepassing is voor windturbines en dat de risicocontouren uit het Handboek Risicozonering Windturbines slechts beschouwd moeten worden als richtsnoer. In voorkomende gevallen kan beter op basis van een project specifieke risicoanalyse de feitelijke risicocontour worden bepaald.
Met betrekking tot dit knelpunt is nog geen oplossing bereikt en/of geïmplementeerd.

Natura 20000 gebieden:
Bij plaatsing van windturbines in Natura 2000 gebied zijn de voorwaarden bekend.
Bij plaatsing van windturbines rond Natura 2000 gebieden doet zich het knelpunt voor.
Op grond van jurisprudentie is sprake van externe werking van de Natuurbeschermingswet wanneer sprake is van significante effecten op kwalificerende soorten en/of kenmerkende waarden van het Natura 2000 gebied. Bij windturbines draaien gemeentelijke en provinciale ambtenaren de bewijslast om.
De initiatiefnemer moet aantonen dat bij plaatsing van windturbines rond Natura 2000 gebieden geen sprake is van significante effecten op kwalificerende soorten of kenmerkende waarden. Omdat het hierbij gaat om alle soorten en waarden is dit vrijwel niet aan te tonen.
Wanneer de bewijslast niet zou zijn omgedraaid, geldt de externe werking uitsluitend voor die soorten en waarden waarvan is aangetoond dat er significante effecten optreden. Voor deze soorten en waarden kunnen dan gerichte mitigerende maatregelen getroffen worden.

Een tweede probleem is dat “rond Natura 2000 gebieden” geen duidelijke begrenzing is. In een aantal gevallen is een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet verlangd in verband met mogelijke externe werking op Natura 2000 gebieden op een afstand van 10 km of meer van het windenergieproject. De relevantie van dit onderwerp neemt toe nu steeds meer Natura 2000 gebieden formeel worden aangewezen.
Het Ministerie van LNV bekijkt momenteel of sprake is van effecten op natuurwaarden als gevolg van windturbines. Met betrekking tot de oplossing van dit knelpunt is hiermee echter geen voortgang gemaakt.

Waterkeringen:
Voor een groot aantal rijkswaterstaatwerken is de begrenzing van de kernzone en de beschermingszone nog niet vastgesteld. Deze begrenzing is echter van belang, omdat plaatsing van windturbines in de kernzone van de waterkering is uitgesloten en in de beschermingszone van de waterkering onder voorwaarden mogelijk is.

Bovendien is niet aangetoond dat plaatsing van windturbines in de kernzone gevaar oplevert voor de sterkte of stabiliteit van de waterkering en/of hinder oplevert voor het onderhoud en beheer ervan. Uit onderzoek blijkt dat de fundatie van windturbines bijdraagt aan de sterkte van de waterkering. De waterkering wordt als het ware vastgepind in de ondergrond.
Met betrekking tot de oplossing van dit knelpunt kan geen voortgang gemeld worden.

In de afgelopen maanden hebben wij (zowel bij wind op land als bij wind op zee) diverse keren gemerkt dat wanneer wij rechtstreeks (soms op basis van een vooraf door NWEA opgestelde, korte gespreksnotitie) met de meest betrokken ambtenaren de knelpunten bespraken enerzijds het probleem hen sneller duidelijk werd en anderzijds meer en andere oplossingen in beeld kwamen. Een dergelijke aanpak stellen wij ook voor om de knelpunten te bespreken waar nog geen of onvoldoende voortgang is geboekt. NWEA biedt u nogmaals aan graag intensief betrokken te willen worden bij de uitwerking van de uitgezette acties en de werkgroepen.

Wij zijn graag bereid deze brief of ons aanbod nader toe te lichten.

Met vriendelijke groet,
Nederlandse WindEnergie Associatie NWEA

Jaap Warners, voorzitter