Inspraakreactie startnotitie MER 380 kV hoogspanningsverbinding Wateringen-Zoetermeer

In een inspraakreactie op de Startnotitie voor de MER 380 kV hoogspanningsverbinding Wateringen-Zoetermeer, geeft NWEA opnieuw aan te betreuren dat het alternatief van een hoogspanningsverbinding via de Noordzee niet is onderzocht.

Zo'n alternatief heeft een aantal grote, (milieu)technische voordelen. Daaronder de geclusterde aansluiting van windparken in de Noordzee ( 'stopcontacten op zee'). Verder is de doorlooptijd van de vergunningsprocedures voor een verbinding via de zeebodem aanzienljk korter dan voor een (bovengrondse) verbinding door de dichtbevolkte Randstad.


Inspraakpunt
Startnotitie MER 380 kV Wateringen - Zoetermeer
Postbus 303016
2500 GH DEN HAAG


Plaats en datum Utrecht, 11 mei 2007
Ons kenmerk Br.secr.93N

Onderwerp:
Inspraakreactie Startnotitie MER 380 kV hoogspanningsverbinding Wateringen-Zoetermeer.


Geachte heer, mevrouw,

Graag maakt de Nederlandse WindEnergie Associatie NWEA gebruik van de gelegenheid in te spreken op de Startnotitie MER 380 kV hoogspanningsverbinding Wateringen-Zoetermeer.

Zoals u bekend, betreurt NWEA het dat in de Strategische Milieubeoordeling over de Randstad 380 kV verbinding tussen Beverwijk en Maasvlakte het alternatief van een hoogspanningsverbinding via de Noordzee niet is onderzocht. Dit alternatief heeft een aantal belangrijke milieutechnische voordelen, onder meer de geclusterde aansluiting van windparken in de Noordzee (stopcontacten op zee). Daarnaast is de doorlooptijd van de vergunningprocedures voor een hoogspanningsverbinding via de zeebodem aanzienlijk korter dan voor een (bovengrondse) verbinding door de dichtbevolkte Randstad.
De milieukwaliteit van de elektriciteitsvoorziening (art. 16, lid 2, sub 2e, Elektriciteitswet) wordt met een hoogspanningsverbinding via zee ook bevorderd.

Volgens de Startnotitie voor de 380 kV verbinding Wateringen – Zoetermeer is deze verbinding, die onderdeel vormt van de Randstad 380 kV verbinding, onder meer nodig om de energie, die wordt opgewekt met de voorziene windparken in de Noordzee, af te kunnen voeren. Daartoe moet deze verbinding op korte termijn (in 2011) in gebruik worden genomen.
In de Startnotitie wordt aangegeven welke alternatieven naast het voorkeursalternatief in het MER onderzocht zullen worden. Helaas is niet duidelijk welke tracés bij de ondergrondse alternatieven worden gevolgd. Dit is in de Startnotitie niet aangegeven. Dat in combinatie met de opmerking op pagina 37, dat uitsluitend in bijzondere gevallen voor een ondergrondse aanleg zal worden gekozen, wekt de indruk dat de ondergrondse tracé alternatieven in dit MER niet gelijkwaardig en volledig onderzocht zullen gaan worden.

Ook bij de beschrijving van de fasen (aanleg, gebruik en onderhoud) lijkt men uitsluitend uit te gaan van de effecten van bovengrondse hoogspanningsleidingen. Juist bij de beschrijving van de fasen is het onderscheid ondergronds/bovengronds van belang. Naar verwachting zal een ondergrondse verbinding tijdens de aanlegfase (tijdelijk) een grotere impact hebben op de omgeving, dan de aanleg van een bovengrondse verbinding. Maar naar onze inschatting ligt dit tijdens de (langjarige) gebruiks- en onderhoudsfase juist andersom.
Wij verzoeken u de te onderzoeken ondergrondse tracés in de Richtlijnen vast te leggen en daarmee vooraf bekend te maken.

Wij verzoeken u bij het vaststellen van de Richtlijnen met onze opmerkingen rekening te houden.

Wij zijn gaarne bereid onze inspraakreactie mondeling toe te lichten.

Met vriendelijke groeten,
Nederlandse WindEnergie Associatie NWEA

Joop Lasseur, voorzitter