In Fryslân kan méér met windenergie

De ambities die het Friese provinciebestuur uitspreekt in de startnotitie Windstreek 2011 is te mager, schrijft NWEA in een brief aan leden van Provinciale Staten. Fryslân kiest amper voor groei. Een windrijke provincie zou juist een harde doelstelling voor 2020 moeten stellen. Dat sluit aan bij de eigen ambities rond duurzame energie en bij de landelijke doelstelling.

Met de startnotitie Windstreek 2011 willen Gedeputeerde Staten van Fryslân nieuw windenergiebeleid opstellen. Windstreek 2011 moet over twee jaar het bestaande Windstreek 2000 vervangen.

In de brief stelt NWEA voor om windenergie nadrukkelijk binnen de duurzame energie ambitie van de provincie te benoemen als een belangrijke pijler. Voor het jaar 2020 zou een doelstelling van tenminste 1.000 MW gerealiseerd vermogen in Windstreek 2011 opgenomen kunnen worden. Dat komt ook overeen met wat NWEA eerder voor de provincie Groningen voorstelde, eveneens een windrijke provincie.

Fryslân zou, wat NWEA betreft, ook meer proactief richting initiatiefnemers en gemeenten kunnen optreden. Nieuw beleid in Fryslân mag niet beperkend werken voor de lopende projecten, de zogenaamde pijplijnprojecten. Realisatie daarvan is immers wezenlijk om de nationaal gewenste verdubbeling van wind op land in 2011 te kunnen verwezenlijken.

De brief aan Provinciale Staten van Fryslân staat hieronder opgenomen en kan als pdf worden opgevraagd. De tekst van de mondelinge inspraakreactie in de commissievergadering van Provinciale Staten is voor leden te vinden in het ledendeel van deze website.

Provinciale Staten van de Provincie Fryslân
Postbus 20120
8900 HM LEEUWARDEN

Plaats en datum Utrecht, 27 augustus 2009
Ons kenmerk Br-secr.194N
Onderwerp: Startnotitie Windstreek 2011

Geachte leden van Provinciale Staten,

Binnenkort bespreekt u de startnotitie Windstreek 2011. Met dit schrijven geeft de Nederlandse WindEnergie Associatie NWEA haar zienswijze en advies met betrekking tot het door Gedeputeerde Staten in de notitie beschreven voorgenomen windenergiebeleid.

NWEA behartigt de belangen van windenergie. In NWEA werken alle belangrijke organisaties en bedrijven samen, die in Nederland actief zijn op het gebied van windenergie.

Atelier Fryslân
Windstreek 2011 moet voorjaar 2011 het bestaande Windstreek 2000 vervangen. GS hebben zich bij het opstellen van de startnotitie Windstreek 2011 laten adviseren en inspireren door het advies van Atelier Fryslân, ‘Fryske Wyn’, dat uit oogpunt van landschappelijke kwaliteit is opgesteld. Het Atelier houdt een pleidooi voor een omslag in het denken ten opzichte van het huidige ‘liever niet, maar als het dan toch moet...’, tegen nu ‘doe het goed in plaats van niet slecht’. NWEA onderschrijft die gedachte.

Diverse aspecten uit het advies zijn overgenomen, waaronder de vier locaties/gebieden (Oostergo, Westergo, Greidhoeke en de Afsluitdijk) en het voorstel om voor elke drie bestaande windturbines één nieuwe windturbine te plaatsen. Andere adviezen zijn niet overgenomen. Daar waar het Atelier een ashoogte van minimaal 100 meter adviseert, beperken GS dit tussen 80 en 100 meter.

Het advies is door GS vertaald in vier scenario’s, waarbij groei van het opgesteld vermogen windenergie en landschappelijke kwaliteit tegen elkaar worden afgezet. GS adviseren om ‘scenario 2’ uit te voeren. Daarin wordt ‘zowel aan het opgesteld vermogen als aan ruimtelijke kwaliteit zeer veel gewicht toegekend’. Verder gaan GS uit van een sanering van alle bestaande windturbines en plaatsing van ca. 130 x 3 MW (gemiddeld) windturbines. Dit vertoont sterke gelijkenis met het Atelier-advies.

Het Atelier wekt de indruk dat een bijdrage door de windbranche is geleverd in de vorm van een vertegenwoordiging in de klankbordgroep. De input bestond echter slechts uit een enkel verkennend gesprek. Van terugkoppeling is in z’n geheel niet of nauwelijks sprake geweest. Van de zeven ‘deelnemers’ aan de klankbordgroep was er bovendien slechts één uit de windbranche afkomstig, tegen vijf met overwegend een natuur en landschappelijke inslag. Kortom: de visie is hoofdzakelijk vanuit het landschap opgesteld, niet vanuit oogpunt van duurzame energie en daarbij rekening houdend met landschappelijke kwaliteiten.

Doelstelling en ambitie
Het College van GS is in zijn communicatie zeer ambitieus in de doelstellingen voor wat betreft duurzame energie. Zo is recentelijk een vertaalslag naar een betere leefomgeving gemaakt, door samen met Groningen en Drenthe te streven naar 100.000 duurzame, waaronder elektrische, auto’s in 2015. In 2020 wil Fryslân zelfs dat alle auto’s elektrisch of op alternatieve energiebronnen rijden. De concrete invulling hoe deze duurzame energie op te wekken, blijft achterwege. De provincie zou kunnen kiezen voor een extra inspanning voor de realisatie van 30 x 3 MW windturbines, voldoende voor 100.000 elektrische auto’s.

Alle in ontwikkeling zijnde energieopties worden genoemd als het om duurzame energie gaat, maar juist de duurzame energievorm die op dit moment het meest volwassen is – windenergie - wordt ‘vergeten’. Het Rijk wil juist extra sterk inzetten op windenergie omdat daarmee in relatief korte tijd veel duurzame energie opgewekt kan worden tegen een lage prijs. De startnotie straalt evenwel niet uit dat de provincie krachtig wil inzetten op windenergie. Krampachtig wordt de negatieve invloed van windturbines op de kwaliteit van het landschap naar voren gebracht; het nemen van verantwoordelijkheid bij het invullen van de beoogde 6.000 MW op land zou meer op zijn plaats zijn.

De genoemde 240 MW voor Fryslân in 2020 in het onlangs (januari 2009) tussen het Rijk en Provincies overeengekomen Klimaatakkoord is zeer laag. Zeker als het vergeleken wordt met het BLOW-akkoord waarin voor 2010 al 200 MW stond opgenomen.

Fryslân heeft na de introductie van Windstreek 2000 slechts een bescheiden groei ten opzichte van andere windrijke provincies laten zien. Weliswaar is het opgesteld vermogen toegenomen - veelal door solitaire windturbines -, de beoogde groei met opschalings-clusters is achterwege gebleven.

Het komende decennium kan met de huidige stand der techniek een grote groei van windenergie worden bewerkstelligd. GS spreken zich echter niet uit voor een harde lange termijndoelstelling (2020) voor windenergie. In de duurzame energie ambitie van Fryslân past, naar de mening van NWEA, zo’n ambitieuze doelstelling echter wel. De passieve opstelling van de provincie richting gemeenten zal veranderd moeten worden in een meer stimulerende, proactieve houding.

Een windenergierijke provincie zou een doelstelling van 1.000 MW in 2020 moeten nastreven. De doelstelling van het Rijk is om in 2020 minstens 6.000 MW op land te hebben gerealiseerd, naast 6.000 MW op zee. Door sanering en repowering in opschalingsclusters is door middel van vervanging van het huidige geplaatste arsenaal aan windturbines, deze doelstelling van 1.000 MW haalbaar. Voorwaarde is dat een aantal knelpunten wordt opgelost, zoals defensieradar. De door GS beoogde groei naar 350 tot 450 MW opgesteld vermogen acht NWEA veel te mager.

NWEA stelt voor om windenergie binnen de duurzame energie ambitie van de provincie nadrukkelijk te benoemen als een belangrijke pijler. Daarnaast zou een doelstelling van tenminste 1.000 MW gerealiseerd vermogen in het jaar 2020 in Windstreek 2011 opgenomen kunnen worden. Voorts dient de provincie meer proactief richting initiatiefnemers en gemeenten op te treden.

Vermogensgroei en sanering
De groei van het opgestelde windvermogen wordt voorzien in vier gebieden. Het huidige aantal windturbines wordt daarbij teruggebracht tot ongeveer 130, een derde van de in totaal ruim 320 nu geplaatste windturbines. In de vier gebieden worden windturbines van de huidige generatie voorzien, met een gemiddeld vermogen van 3 MW. Dat niet ook geanticipeerd wordt op nieuwe en reeds in productie zijnde turbines van 5-6+ MW met ashoogte van 120 meter en hoger, is een gemiste kans en past niet binnen het advies van het ‘nieuwe denken’ van het Atelier. GS kiezen daarmee wederom voor een te stringent beleid waarin toekomstige ontwikkelingen onvoldoende meegenomen kunnen worden.

GS gaan er vanuit dat alle bestaande turbines gefaseerd opgeschaald kunnen worden. De beoogde sanering en vervanging (drie bestaande turbines tegen één nieuwe) is theoretisch haalbaar; de praktijk is veel weerbarstiger. Dit wordt bevestigd door de ervaringen met de huidige opschalingsclusters. Met de huidige saneringseis ‘2:1’ (twee nieuwe windturbines tegen één bestaande) - in de praktijk vaak 1 op 1 - blijkt dat het realiseren van een opschalingscluster een zeer lastige ‘klus’ is. Veelal worden verouderde en kleinere turbines bij de sanering betrokken. Dit ‘laaghangend fruit’ zal niet meer van toepassing zijn voor toekomstige windparken, daar àlle windturbines gesaneerd dienen te worden.

Daarnaast is in Windstreek 2000 al aangegeven dat de bestaande windturbines ‘bij recht’ vervangen mogen worden. Dit recht zal niet wijzigen. Onvoldoende financiële prikkels zullen er toe leiden dat een groot aantal solitaire windturbines (ruim 80% van het totaal) niet opgeschaald zal worden. De recent geplaatste turbines zijn in een windrijke provincie als Fryslân ook na de stimuleringsperiode nog jarenlang rendabel te exploiteren. De gedachte dat na 15 jaar de windturbines ‘automatisch’ vervangen moeten worden, is onjuist. Revisies en vervanging maken een levensduur van 20 jaar en langer mogelijk. GS hebben zich blijkbaar onvoldoende afgevraagd of de motivatie voor sanering en repowering voor deze groep eigenaren van windturbines in de beoogde vorm wel aanwezig is en of het in bedrijfseconomische zin wel voldoende interessant is om te participeren in een groot windpark.

NWEA ziet de noodzaak in van sanering voor meer landschappelijke kwaliteit, en is daar ook geen tegenstander van. Maar wij stellen voor om beide belangen beter op elkaar af te stemmen en daarbij de opgedane ervaringen onder Windstreek 2000 te benutten voor het nieuwe beleid.
NWEA adviseert een vermogensgroei met als vertrekpunt een gelijkblijvend aantal windturbines, waarbij windturbine-eigenaren en projectontwikkelaars voldoende gemotiveerd worden om invulling te geven aan het toekomstig beleid.

NWEA is van mening dat de landschappelijke kwaliteit door clustering bij een gelijk aantal windturbines evenzeer wordt verbeterd. Dit beleid is onder Windstreek 2000 al ingezet.

Opschalingsclusters
In het advies van Atelier Fryslân wordt geen rekening gehouden met de ontwikkeling van pijplijnprojecten. Het College van GS adviseert in zijn startnotitie stringente eisen te stellen aan de ontwikkeling hiervan. Voor een overzicht wordt verwezen naar een (dynamische) lijst van VROM uit 2008. Bedacht moet worden dat deze lijst niet volledig is.

In de startnotitie komt de interactie tussen nieuw beleid en pijplijnprojecten niet naar voren. Evenmin is duidelijk of de recent gerealiseerde windparken, zoals Beabuorren en A7, onderdeel uitmaken van de visie van GS.

Het lijkt erop dat de toekomstvisie volledig haaks staat op het verder ontwikkelen van de pijplijnprojecten. Deze hebben een geschat potentieel van ca. 150 MW en zorgen zonder invulling van de beoogde vier gebieden al voor een zeer belangrijke groei van het opgesteld vermogen. Met een minder stringent beleid (verruiming ashoogte) en een proactieve, stimulerende provinciale opstelling, moet een groei tot 400 MW op termijn mogelijk zijn.

Juist het realiseren van de pijplijnprojecten staat hoog op de prioriteitenlijst van VROM om de nationale tussendoelstelling van 4.000 MW (vergunde) windenergieprojecten in 2011 te realiseren. Naar de mening van NWEA zal ook de provincie Fryslân hier haar bijdrage aan moeten leveren. Het past dus niet om stringente voorwaarden in het overgangsbeleid voor te stellen. Een verruiming van de randvoorwaarden, waarbij de ashoogte in lijn wordt gebracht met de toekomstvisie, past wel. Op deze manier wordt suboptimalisatie van schaarse locaties voor windturbines voorkomen. Een (principe)uitspraak van de gemeenteraad over een initiatief kan als vertrekpunt worden genomen. Immers het vervolgtraject is onvoorspelbaar, waardoor het hanteren van harde termijnen ongewenst is.

NWEA adviseert in te zetten op de huidige pijplijnprojecten waarbij het overheidsbeleid niet beperkend mag zijn. Voorts moet geanticipeerd worden op marktontwikkelingen en moet suboptimalisatie van een locatie worden voorkomen.

Resumé
NWEA heeft in beginsel begrip voor de keuze die gemaakt wordt voor grootschalige windenergie en de kwaliteit van het landschap. Echter: dit mag niet ten koste gaan van bestaande ontwikkelingen (pijplijnprojecten). NWEA pleit voorts voor een doelstelling van 1.000 MW in 2020, hetgeen past binnen het landelijke beleid, maar ook binnen de ambitie (een voortrekkersrol), die Fryslân voor ogen staat.
NWEA vindt dat de provincie een proactieve rol dient te vervullen voor windenergie.

NWEA biedt graag haar expertise en ervaring op het gebied van windenergie aan bij de verdere uitwerking van Windstreek 2011.

Wij vertrouwen erop dat u onze zienswijze meeneemt in de discussie aangaande de startnotitie en GS verzoekt onze visie te verwerken in het nieuwe Windstreek 2011.

Met vriendelijke groet,
Nederlandse WindEnergie Associatie NWEA

Ton Hirdes. directeur