Voorrang voor duurzame energie bij toegang tot elektriciteitsnet

Elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen, waaronder windenergie, dient voorrang te krijgen bij de toegang tot het elektriciteitsnet. Dat uitgangspunt is opgenomen in Europese regelgeving. NWEA, de Nederlandse WindEnergie Associatie, heeft per brief de minister van Economische Zaken daarop gewezen in verband met de problematiek in Noord-Nederland.

Onder meer door de aanvragen voor nieuwe kolencentrales in de Eemshaven, is er een tekort ontstaan in de transportcapaciteit van elektriciteit in het hoogspanningsnet boven Zwolle. Duurzame energieprojecten zijn in de ‘wacht’ gezet. Dat botst met de klimaatdoelstellingen van het nieuwe kabinet, maar strookt volgens NWEA ook niet met de intenties van Europese regelgeving. NWEA dringt met klem aan op een snelle oplossing voor de problematiek in Noord-Nederland en pleit ervoor de Europese regelgeving op dit punt voor Nederland van toepassing te verklaren.

De brief is een aanvulling op een eerdere brief van 17 juli aan Economische Zaken.

De minister van Economische Zaken
Mevrouw M. van der Hoeven
Ministerie van Economische Zaken
Postbus 20101
2500 EL DEN HAAG

cc
de minister van VROM, mw. J. Cramer
de directie van TenneT te Arnhem
dhr. F.J. Otte, ministerie van EZ, DG Energie & Telecom
dhr. B.A. Wilbrink, ministerie van EZ, DG Energie & Telecom
dhr. A. Littel, ministerie van Vrom, DG Ruimte

Plaats en datum Utrecht, 3 september 2007
Ons kenmerk Br-secr.107N

Betreft: voorrang voor duurzame energie

Excellentie, geachte mevrouw Van der Hoeven,

Uit Europese regelgeving blijkt volgens ons dat het uitgangspunt bij elektriciteitsopwekking dient te zijn dat elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen, zoals windenergie, voorrang krijgt bij de toegang tot het elektriciteitsnet. Aanvullend op onze brief d.d. 17 juli 2007 over de problemen rond de toegang tot het noordelijk transportnet voor duurzame energie (ons kenmerk Br-secr. 104N), willen wij dit bij u onder de aandacht brengen en nogmaals – met klem – aandringen op een spoedige oplossing.

In onze eerdere brief wezen wij op het tekort in de transportcapaciteit van elektriciteit in het hoogspanningsnet voor de provincies Groningen, Drenthe, Friesland en voor de provincie Overijssel in het gebied boven Zwolle. Dit is ontstaan als gevolg van de aanlanding van de Norned-kabel en de aanvragen voor de bouw van twee grote ‘kolencentrales’, allen in de Eemshaven. Het gevolg is onder andere dat verschillende duurzame energie-initiatieven in de betreffende regio geen doorgang kunnen vinden tot het moment dat weer voldoende transportcapaciteit beschikbaar is. Het gaat daarbij, constateren wij inmiddels, niet alleen om nieuwe projecten waarvoor de SDE gaat gelden, maar ook om projecten met een toegekende MEP die in hun ontwikkeling belemmerd worden.

De aanvragen van energiecentrales die gebruik maken van fossiele energiedragers belemmeren dus per direct de verdere realisatie van duurzame energie-initiatieven, waaronder een aantal windenergieprojecten. Een ongewenste situatie, zeker gezien de klimaatdoelstelling van het kabinet. In onze eerdere brief vroegen wij hoe en op welke termijn u het probleem wenst op te lossen. Wij eindigden met de stelling dat het ons niet meer dan logisch lijkt dat de netbeheerder altijd voorrang geeft aan de toegang van duurzame energiebronnen tot het net.

In dit verband willen wij aanvullend nadrukkelijk wijzen op twee Europese richtlijnen waardoor wij ons gesterkt voelen, te weten de Europese richtlijn 2001/77/EG betreffende de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen op de interne elektriciteitsmarkt (27 september 2001)’ en de Europese richtlijn 2003/54/EG betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en houdende intrekking van Richtlijn 96/92/EG(26 juni 2003)’.

Richtlijn 2001/77/EG (bevordering hernieuwbare energie) benadrukt het belang van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen, onder meer om ‘sneller de doelstelling van Kyoto te bereiken’; er wordt binnen de Gemeenschap nog ‘onvoldoende van de mogelijkheden voor benutting van hernieuwbare energiebronnen gebruikgemaakt’ (overweging 1). Een groter gebruik van en een betere toegang tot het net van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen zijn daarom de achterliggende doelstellingen van de richtlijn.
Volgens artikel 7.1 van deze richtlijn dienen lidstaten de transmissie en distributie van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen door transmissie- en distributiebeheerders te garanderen en ‘... kunnen zij voorrang verlenen aan elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen voor de toegang tot het net.’

Wij stellen u dan ook voor zo spoedig mogelijk van deze mogelijkheid gebruik te maken door de netbeheerder te verplichten deze voorrang voor elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen van toepassing te verklaren op de situatie in Noord Nederland.

In Richtlijn 2003/54/EG (gemeenschappelijke regels) is in artikel 14.4 een vergelijkbaar uitgangspunt opgenomen, te weten ‘Een lidstaat kan de distributiesysteembeheerder ertoe
verplichten om bij het inschakelen van stroomproductieeenheden voorrang te geven aan productie-installaties die gebruikmaken van hernieuwbare energiebronnen, afvalstoffen of warmtekrachtkoppeling.’
Overigens staat in de samenvattende toelichting op deze richtlijn op de website (zie http://europa.eu/scadplus/leg/nl/lvb/l27005.htm) nadrukkelijk dat tot de taak van elke transportnetbeheerder behoort ‘prioriteit geven aan productie-installaties die gebruik maken van hernieuwbare energiebronnen, afvalstoffen of warmtekrachtkoppeling.’

Een en ander maakt duidelijk dat de Europese overheid in haar richtlijnen voor de lidstaten groot belang hecht aan de toegang van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen tot het net.

Wij willen u met name ook op deze richtlijnen wijzen omdat ze o.i. goed betrokken kunnen worden bij de uitwerking van de toezegging aan de Tweede Kamer (5 juli 2007) dat het uitgangspunt om duurzame energie voorrang te geven meegenomen zal worden in het programma ‘Schoon en zuinig’. In de Tweede Kamer werd onder meer verwezen naar regelgeving in Duitsland, waar windenergie al voorrang krijgt bij de toegang tot het net, en is om een wettelijke regeling gevraagd voor de Nederlandse situatie (aangehouden motie van het kamerlid P. Janssen, SP).

Overigens was ook al in het rapport ‘Nu voor later. Energierapport 2005’ van uw Ministerie van Economische Zaken gesteld dat nieuwe aandacht voor kolen ‘evenmin verstorend mag werken op ander beleid’ (‘Nu voor later’, pagina 12), met name waar het de vermindering van uitstoot betreft. Een situatie waarbij schone elektriciteit in de wacht wordt gezet vanwege de mogelijke bouw van kolencentrales strookt niet met dat uitgangspunt.

Wij rekenen erop dat u met genoemde Europese beleidsregels rekening houdt en zijn natuurlijk gaarne bereid een en ander mondeling toe te lichten.

Met vriendelijke groeten,
Nederlandse WindEnergie Associatie NWEA

Joop Lasseur, voorzitter

Noot: Volledige tekst artikel 7.1 van de Europese richtlijn 2001/77/EG (hernieuwbare energiebronnen)

Artikel 7 Aspecten van het net
1. Onder behoud van de betrouwbaarheid en de veiligheid van het net nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de transmissie- en distributienetbeheerders op hun grondgebied de transmissie en de distributie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen garanderen. Bovendien kunnen zij voorrang verlenen aan elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen voor de toegang tot het net. Bij de dispatching van opwekkingsinstallaties verlenen de transmissiebeheerders voorrang aan opwekkingsinstallaties die gebruikmaken van hernieuwbare energiebronnen, voor zover de werking van het nationale elektriciteitssysteem dit toelaat.