SDE-regeling: brief over bevoorschotting

Het voor de SDE bedachte systeem van bevoorschotting leidt volgens NWEA tot een aanzienlijke administratieve belasting, minder zekerheid en tot hogere financieringslasten en daarmee tot hogere SDE-basisbedragen.

De SDE-regeling zoals gepubliceerd in de Staatscourant gaat ervan uit dat tot maximaal 80 procent van de SDE-bijdrage wordt uitgekeerd op basis van voorschotten. Op een later tijdstip vindt definitieve afrekening plaats. Omdat het systeem door ECN/KEMA nog niet is vertaald in de basisbedragen, wordt gevreesd dat een en ander zal leiden tot hogere SDE-basisbedragen en dus tot een groter beslag op de middelen. NWEA heeft het ministerie van Economische Zaken met onderstaande brief verzocht de regeling aan te passen.

Ministerie van Economische Zaken
t.a.v. de heer ir. E.C.R.H. Eijkelberg MBA
Postbus 20101
2500 EC DEN HAAG

Plaats en datum Ons kenmerk
Utrecht, 19 december 2007 Br-secr.124N -

Onderwerp:
Bevoorschotting in het Besluit stimulering duurzame energieproductie (SDE-regeling)

Geachte heer Eijkelberg, beste Eric,

In de SDE regeling (Staatsblad 410, 2007) zijn bepalingen over bevoorschotting opgenomen. Deze bepalingen ontbraken in de concept AMvB, waarop NWEA indertijd ingesproken heeft. De thans vastgelegde bevoorschotting zal resulteren in een aanzienlijke administratieve belasting en hogere financieringslasten.
In recent overleg van NWEA met vertegenwoordigers van het Ministerie van Economische Zaken werd aangegeven dat een belangrijk voordeel van een AMvB is, dat eventuele onvolkomenheden in de regeling relatief eenvoudig aangepast kunnen worden.
Hierbij brengen wij onze bedenkingen bij het huidige systeem van bevoorschotting onder uw aandacht en verzoeken u dringend de regeling op dit punt aan te passen.

Op grond van artikel 68 wordt tot maximaal 80% van het uit te keren bedrag op basis van voorschotten uitbetaald. Het eerste jaar wordt deze 80% gebaseerd op de in de aanvraag opgegeven raming. In de daaropvolgende jaren wordt deze 80% gebaseerd op de werkelijke kWh‑productie in het voorgaande jaar.
Een windarm jaar leidt tot lagere opbrengsten voor de windturbine exploitant. Maar ook in het jaar ná een windarm jaar ontvangt de exploitant slechts 80% van de opbrengst, die is gebaseerd op de lage productie in het voorgaande, windarme jaar. Dat betekent dat een windarm jaar ook in het jaar daarna tot lagere opbrengsten leidt.
Het effect van een windarm jaar werkt zo dubbel hard door in de uitbetalingen van de SDE en dus in de gerealiseerde opbrengst en dus in de financieringsbehoefte.

De bevoorschotting leidt ertoe dat structureel 20% minder SDE bijdragen worden ontvangen dan op grond van de werkelijke kWh-productie mag worden verwacht. In de exploitatie- en liquiditeitsprognoses moet hiermee rekening worden gehouden. Dit heeft direct effect op de financieringsbehoefte en daarmee op de financieringskosten.
De bevoorschotting was niet verwerkt in het concept advies van ECN/KEMA over de basisbedragen. Wanneer dit effect correct in de berekening van de basisbedragen wordt verwerkt, zal dit leiden tot hogere basisbedragen en dus tot een groter beslag op SDE middelen.
Dit is naar onze mening niet in het belang van een doelmatige en effectieve regeling.

In het overleg van NWEA met vertegenwoordigers van het Ministerie van Economische Zaken is aangegeven dat het de bedoeling is de ontbrekende 20% in het volgende jaar uit te betalen. De regeling is daar echter minder eenduidig over.
In de regeling staat slechts dat wanneer de som van de maandelijkse bedragen, die in enig jaar zijn verstrekt, minder of meer bedragen dan het voorschot dat na afloop van het betreffende jaar wordt vastgesteld, de Minister dit kán verrekenen met de nog te verstrekken maandelijkse bedragen (artikel 68, tweede lid). De subsidievaststelling vindt echter niet na elk jaar plaats, maar pas ná afloop van de periode waarover SDE is toegekend, te weten 15 jaar (artikel 70, eerste lid).
Er is derhalve voor exploitanten (en de financiers van het vreemd vermogen) geen enkele zekerheid of de ontbrekende 20% in het volgende jaar (en dan in maandelijkse termijnen) wordt uitbetaald of pas na 15 jaar bij de subsidievaststelling.

Omdat de exploitant in het gunstigste geval in het volgend jaar of in het slechtste geval na 15 jaar de resterende 20% ontvangt, zal de werkelijke omzet in enig jaar niet bij afsluiting van het betreffende jaar bepaald kunnen worden. Dit leidt tot complicaties en vertraging bij het opstellen van de jaarcijfers en de aangifte Vennootschapsbelasting, maar ook bij de verrekening van de eventueel toegekende EIA.
Dit betekent dat enerzijds de administratieve lasten sterk toenemen en anderzijds de noodzakelijke financiering en daarmee de financieringskosten toenemen. Dit zal zich vertalen in hogere SDE basisbedragen.

NWEA dringt er bij u op aan de bevoorschotting op basis van 80% te schrappen. In de MEP regeling is ook met voorschotten op basis van 100% gewerkt. Een eventuele correctie kan in de vaststelling van de bedragen voor het volgende jaar worden verwerkt. Op deze wijze kan aan het eind van enig jaar, dat jaar boekhoudkundig en fiscaal worden afgesloten.
Indien onverhoopt sprake is van teveel betaalde SDE én de betreffend exploitant zou failliet gaan, blijft het bedrag aan niet invorderbare, teveel uitbetaalde SDE beperkt.

Wij zijn gaarne bereid ons voorstel nader toe te lichten.

Met vriendelijke groet,
Nederlandse WindEnergie Associatie NWEA

Ton Hirdes, directeur

cc aan B. Wilbrink, M. Buijs, R. van Erck (allen EZ), G. Fenten en A. Littel (beiden VROM)