NWEA-reactie op advies basisgegevens (ECN/KEMA)

Door ECN en KEMA is een conceptadvies opgesteld met de basisgegevens duurzame energieproductie 2008-2009. De gegevens worden gebruikt bij het vaststellen van de onredabele top van windenergie en dat zal weer een rol spelen in de verdere besluitvorming rond de SDE, de opvolger van de MEP.

Volgens NWEA gaan ECN en KEMA uit van gegevens die onvoldoende actueel zijn. Gegevens die men bij de marktpartijen, verenigd in NWEA, in een eerder stadium had kunnen krijgen, zowel voor windenergie op land als op zee.

Energieonderzoek Centrum Nederland

t.a.v. de heer X. van Tilburg – Beleidsstudies
Postbus 56890
1040 AW AMSTERDAM

Plaats en datum Utrecht, 21 november 2007
Ons kenmerk Br-secr. 120N
Uw kenmerk uw brief van 13 nov. ‘07

Onderwerp:
Conceptadvies basisbedragen duurzame elektriciteitsproductie 2008 - 2009

Geachte heer Van Tilburg,

Hierbij reageren wij op het conceptadvies basisbedragen duurzame elektriciteitsproductie 2008 – 2009, dat u op 14 november jl. aan ons heeft toegezonden.

Doelstelling Rijk
De Rijksoverheid zet in op tenminste 2.000 MW op land erbij tot 2012. Deze ambitieuze doelstelling vraagt om een krachtig stimuleringsbeleid. Het conceptadvies gaat uit van een combinatie van de meest gunstige uitgangspunten, die gelijktijdig optreden. In de praktijk zal dit slechts zeer zelden het geval zijn.
Dat betekent dat de werkelijke situatie altijd minder gunstig zal zijn dan in het conceptadvies wordt gesuggereerd. Dat betekent dat bij de voorgestelde basisbedragen de doelstelling van de Rijksoverheid voor wat betreft wind, ons inziens niet gehaald zal worden.

Informatie van marktpartijen
Actuele informatie over projecten en projectparameters is in bezit van marktpartijen. Deze zijn verenigd in NWEA. Het heeft ons verbaasd dat op onze herhaalde verzoeken om overleg over de invoer parameters van het OT model geen reactie is gekomen en dat nu op het laatste moment marktpartijen vier (4) werkdagen de tijd krijgen om op het conceptadvies te reageren.

Nu stelt u bijvoorbeeld dat er in de markt nog onduidelijkheid is over de kosten van offshore windenergie. U bedoeld kennelijk dat u er niet in geslaagd bent deze informatie boven tafel te krijgen. Diverse leden van NWEA beschikken over actuele en gedetailleerde informatie over de kosten van (offshore) windenergie. Binnen de thans gegeven tijdspanne is het echter niet mogelijk deze informatie geanonimiseerd of vertrouwelijk toe te leveren. Ook over andere uitgangspunten, die naar ons oordeel niet realistisch zijn, hadden wij graag overleg willen voeren.

In de literatuurlijst missen wij het NWEA voorstel voor een verbeterde MEP regeling dat mede door KEMA is opgesteld en waarin veel marktinformatie van onze leden is gebruikt.
Dit is een voorbeeld hoe marktinformatie ingewonnen en ingezet kan worden.

Wij betreuren het dat ondanks onze herhaalde verzoeken daartoe u op geen enkele moment tijdens de afgelopen maanden van ons aanbod tot overleg gebruik heeft gemaakt.
Indien tijdens de totstandkoming van dit rapport eerder en vaker overleg zou zijn geweest zouden wij onderbouwing voor de parameters en aanvullende informatie hebben kunnen aanleveren. Eventueel zouden wij, in overleg met onze leden en u enkele projecten hebben kunnen selecteren en over deze projecten (weliswaar geanonimiseerd of vertrouwelijk) volledige openheid kunnen geven ter onderbouwing van uw rapport.
Uw advies mist nu de kwaliteit, die wij van ECN / KEMA gewend zijn.

In een interview in het FD van 16 november jl. zegt u benieuwd te zijn hoe de markt zal reageren op dit conceptadvies. Alsof het om een eerste onderhandelingsbod gaat. Wij hadden verwacht dat een wetenschappelijk onderzoeksbureau op andere wijze tot haar adviezen komt.

Wind op land
Investeringskosten
Als gevolg van de toenemende vraag, het tekort aan productiecapaciteit en de stijgende prijzen van grondstoffen neemt de prijs van windturbines nog steeds sterk toe.
U stelt dat er tijdelijk sprake is van hoge prijzen voor staal en koper (en andere grondstoffen). Wij onderschrijven dat deze situatie mogelijk tijdelijk is, maar de verwachting is dat dit tekort en daarmee de hoge prijzen helaas nog (enige) jaren zal aanhouden.
Voor investeringen in 2008 en 2009, en daar is dit rapport voor bedoeld, hebben we te maken met deze hogere prijzen.

In uw rapport geeft u aan dat uw gegevens gebaseerd zijn op grote turbines (3 MW) en grote projecten. De doelstelling van het Rijk om tot 2012 op land 2000 MW bij te bouwen zal echter niet uitsluitend gerealiseerd kunnen worden met 3 MW turbines, die in grote projecten worden geplaatst. Uw rapport schetst derhalve een te gunstig beeld, dat slechts op een bepaald type projecten van toepassing is.

De investeringskosten wind op land bedragen volgens u Euro 1.100/kW.
Dit bedrag is niet meer realistisch. Reeds in 2006 heeft NWEA aangegeven dat deze kosten Euro 1.270/kW zijn. Gecorrigeerd voor inflatie én rekening houdend met de aanhoudende krapte op de markt liggen de huidige kosten tussen Euro 1.300 – 1.400/kW.
Wij stellen voor Euro 1.350/kW te gebruiken als uitgangspunt voor uw advies.

Opmerkelijk is dat u in uw conceptadvies voor de bijdragen 2008 uit augustus 2006 uitkwam op Euro 1.200/kW. Sindsdien zijn de investeringskosten helaas alleen maar toegenomen.

O&M-kosten
Hoewel gesproken wordt over O&M-kosten, worden hier alle exploitatiekosten mee bedoeld: onderhoud, verzekering, netkosten, grondgebruik, OZB, groot onderhoud, e.d.
U gaat uit van Euro 39/kW.
In onze reactie van augustus 2006 hebben wij reeds aangegeven dat na afloop van de garantieperiode (vanaf het vijfde jaar) de kosten voor onderhoud en verzekering toenemen tot Euro 45/kW. Dit vinden wij niet terug in uw advies.
Bij toenemend aantal vollasturen nemen ook de onderhoudskosten per kW toe. In 2006 heeft NWEA voorgesteld Euro 39/kW uitgaande van 2000 vollasturen als exploitatiekosten te hanteren. In uw voorstel gaat u uit van Euro 39/kW bij 2200 vollasturen, de facto dus een verlaging van de exploitatiekosten met 10%.

In uw model hanteert u een vast bedrag voor de exploitatiekosten over de gehele looptijd van het project. De jaarlijkse exploitatiekosten stijgen echter met de inflatie. In uw advies is hier niet mee gerekend.

Wij stellen voor de exploitatielasten een bedrag voor van Euro 39/kW geïndexeerd met inflatie en vanaf het vijfde jaar een bedrag van Euro 46/kW geïndexeerd met inflatie.

Onbalanskosten
Ook hier geldt dat gesproken wordt van onbalanskosten, waar bedoeld wordt de kosten voor PV‑management én onbalans.
De huidige kosten voor PV management en onbalans (periode januari 2007 tot heden) bedragen Euro 11 – 13/MWh.
Uitgaande van een vergoeding voor grijze stroom van Euro 55 – 63/MWh bedragen de “onbalanskosten” dus meer dan 15% van de elektriciteitsprijs.
NWEA stelt voor een percentage van de elektriciteitsprijs (20%) uit te gaan en níet van een vast bedrag per MWh.
Een alternatief zou kunnen zijn dat de overheid een maximum stelt aan de kosten die hiervoor in rekening gebracht mogen worden.

Vollasturen
In het advies staat “Daarbij komt dat de meeste windprojecten in Nederland in de windrijkere delen worden gerealiseerd”. Wanneer tot 2012 op land 2.000 MW moet worden bijgebouwd zal dat niet uitsluitend in de windrijkere delen van Nederland kunnen. Daarnaast richt het overheidsbeleid zich nadrukkelijk op meer windenergie op binnenland locaties, waar het windaanbod per definitie lager is.
Met 2200 vollasturen wordt de lat voor veel wind op land projecten te hoog gelegd.
NWEA stelt voor in de berekening uit te gaan van 2000 vollasturen en tegelijkertijd de SDE bijdrage per kWh uit te keren over ten hoogste 2000 vollasturen per jaar (zie ook het NWEA voorstel voor een verbeterde MEP regeling).

Overigens worden als gevolg van de vollasturen systematiek van de MEP en SDE regeling, steeds vaker turbines met naar verhouding grote generatoren toegepast. De regeling leidt daarmee dus tot projecten met minder vollasturen. Met een begrenzing van 2000 vollasturen per jaar, zal deze tendens naar toepassing van relatief grote generatoren en dus minder vollasturen niet verder doorzetten.

Looptijd lening
Door u wordt uitgegaan van een looptijd van de lening, welke gelijk is aan de technische levensduur én de looptijd van de SDE-bijdrage. Wij zijn het eens met de door u gehanteerde technische levensduur. In de praktijk zal de bank een kortere looptijd van de lening aanhouden om haar risico’s te beperken. Wij stellen voor uit te gaan van een looptijd van 12 jaar voor de lening.

Rente lening
U schrijft “er is zoveel ervaring met wind op land dat het niet als risicovol kan worden aangemerkt”. Uit recente ervaringen met de grote turbines (3 MW) blijkt dat de risico’s
helaas nog steeds aanwezig zijn. Ook is risico van een tegenvallend of sterk fluctuerend windaanbod niet veranderd.
En ook als gevolg van de verlenging van de periode waarover de SDE wordt uitbetaald, neemt het risico voor vreemd vermogen verstrekkers toe. Een en ander vertaalt zich in een hogere rente. En hoewel de korte rente daalt, zien wij dat de lange rente nog steeds toeneemt.
De door u gehanteerde rente op vreemd vermogen van 5% (in uw model feitelijk 4,9%) achten wij te laag; een rente van 6% achten wij realistischer.

Verhouding vreemd vermogen en eigen vermogen
Op basis van de door u voorgestelde EV/VV verhouding van 10/90 zal een voor de bank aanvaardbare debt service cover ratio niet gehaald kunnen worden. Dat betekent dat meer eigen vermogen of een kortere looptijd of een hogere risicopremie zullen worden gevraagd.

EIA voordeel
Onterecht gaat het OT model ervan uit dat bij wind op land het EIA voordeel geheel in één keer op het moment van investeren benut kan worden. Dit is niet in overeenstemming met de praktijk. Omdat het EIA voordeel niet up front in één keer kan worden benut, nemen de eerste jaren financieringslasten toe.

Wind op zee
Algemeen
Het conceptadvies stelt dat er in de markt nog onduidelijkheid bestaat over de kosten van offshore windenergie. Kennelijk zijn ECN en KEMA er niet in geslaagd dezelfde informatie te verzamelen, die bekend is bij de marktpartijen, die met offshore windenergie bezig zijn.
Het conceptadvies stelt verder dat het aan te bevelen is om tegen de tijd dat een tender wordt uitgeschreven voor een volgend park te zorgen voor een actuele inschatting van de investerings- en operationele kostenparameters. Dus hoewel u in de begeleidende brief stelt dat de marktconsultatie zich uitsluitend beperkt tot de parameters van het OT model, neemt u een voorschot op de SDE regeling door er in dit advies vanuit te gaan dat de SDE bijdrage voor wind op zee wordt toegekend op basis van een tender.

In uw advies maakt u onderscheid tussen windparken op 20 km uit de kust (binnen de 12‑mijls zone) en windparken 40km uit de kust. De SDE regeling kent een dergelijke onderverdeling vooralsnog niet.
Bovendien is de afstand tot havens en tot het aansluitpunt met het landelijk hoogspanningsnet hetgeen telt.

Investeringskosten
Op basis van recente gegevens, gebaseerd op kostenmodellen van de (ook internationaal opererende) projectontwikkelaars, blijkt dat de investeringskosten voor wind op zee, exclusief netaansluitingskosten, Euro 3.000/kW bedragen. Deze bedragen zijn gestegen en gelden in de huidige marktsituatie in combinatie met hoge prijzen voor grondstoffen (staal, koper, etc.). Voor windparken verder op zee (40 km uit de kust en in dieper water) zijn deze kosten Euro 300/kW hoger.
Win op zee is nog aan het begin van de grootschalige toepassing en met toenemende ervaringen worden kostendalingen verwacht. De eerstkomende projecten, waarvoor dit rapport bedoeld is, kennen nog een relatief grote risico’s hetgeen in de uitgangspunten tot uitdrukking moet komen.
De netaansluitingskosten voor wind op zee worden door ons ook geraamd op tenminste Euro 250/kW. De door NWEA bepleite gemeenschappelijke netinpassing (stopcontact op zee) zou kunnen zorgen voor een verlaging van deze kostencomponent in de SDE regeling.

O&M kosten
Hiermee worden alle exploitatiekosten bedoeld.
Wij onderschrijven uw stelling dat de O&M kosten bij toenemende afstand tot de haven toenemen en de beschikbaarheid bij een grotere vaarafstand afneemt.
Wij menen echter dat voor windparken op 20 km uit de kust uitgegaan zou moeten worden van tenminste Euro 80/kW, maar (net als bij wind op land) geïndexeerd voor inflatie, en 3600 vollasturen.

Onbalanskosten
Graag zouden wij kennis nemen van de informatie waarop u baseert dat de kosten voor PV management en onbalans voor wind op zee lager zouden zijn dan voor wind op land. Vooralsnog hebben wij daarvoor geen aanwijzingen kunnen vinden.
Hier geldt overigens hetzelfde als vermeld onder wind op land.

Financiering
U schrijft dat “de meeste offshore projecten worden ontwikkeld door consortia waarin fabrikanten een grote rol spelen”. Dit sluit niet aan bij de werkelijkheid. Uiteraard is de rol van de windturbine fabrikanten belangrijk. Maar (windturbine) fabrikanten nemen niet deel in de investering of exploitatie van de offshore windenergie projecten. Vooralsnog zijn energiebedrijven in binnen- en buitenland de grootste spelers.
In Nederland zijn echter ook private partijen, niet zijnde energiebedrijven, zeer actief in wind; ook op zee.

Om aan te geven dat met de hier voorgestelde kostprijsberekening in Nederland geen windparken op zee gerealiseerd zullen worden, kan verwezen worden naar de ons omringende landen. In bijgaand rapport van KPMG wordt voor het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en België aangegeven wat de huidige situatie of de situatie in de nabije toekomst is.
In het Verenigd Koninkrijk wordt gewerkt aan een verhoging van de vergoeding voor wind op zee naar ruim Euro 170/MWh.
In Duitsland spreekt de overheid van een vergoeding in de range van Euro 110 – 140/MWh gedurende 12 – 14 jaar. En daarbij komen in Duitsland de netinpassingskosten voor rekening van de netbeheerder.
In België wordt naast de vergoeding voor de fysieke (grijze) stroom een vergoeding van Euro 107/MWh betaald gedurende 20 jaar.

SDE regeling: Effect van bevoorschotting
In artikel 68 van de SDE regeling is aangegeven dat op voorschot 80% van de toegekende SDE bijdrage wordt uitgekeerd. Op grond van artikel 70 wordt het restant pas bij de subsidievaststelling aan het eind van de subsidieperiode (van 15 jaar) uitbetaald.
In de Nota van Toelichting staat slechts dat de bij de bevoorschotting in volgende jaren de teveel uitbetaalde SDE bijdrage in volgende voorschotten verrekend kán worden.
Een en ander betekent dat op grond van de SDE regeling tenminste een deel van de SDE bijdrage pas op een later tijdstip uitbetaald wordt.
In het OT model en dus ook in de berekening van de basisbedragen is geen rekening gehouden met de extra financieringslasten die hiervan het gevolg zijn.

In de bijlagen treft u enkele geanonimiseerde gegevens over de kosten voor wind op land aan.

Wij zijn gaarne bereid onze reactie mondeling toe te lichten.

Met vriendelijke groeten,
Nederlandse WindEnergie Associatie NWEA

Joop Lasseur, voorzitter