NWEA en de SDE, de opvolger van de MEP

De Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie (SDE) wordt de opvolger van de MEP. Het ministerie van Economische Zaken werkt, zoals bekend, daar al een tijdje aan. In dit artikel wordt de stand van zaken juli 2007 weergegeven.

Half juli heeft het kabinet een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) vastgesteld waarin geregeld is hoe het raamwerk van deze nieuwe MEP eruit ziet. Dat wordt vervolgens in een aantal Ministeriële Regelingen verder uitgewerkt. De AMvB gaat in de tussentijd – om tijd te winnen - gelijktijdig naar de Raad van State voor advies en naar de Europese Commissie.

NWEA is bij het tot stand komen van deze AMvB gehoord. Er is bijvoorbeeld overleg geweest over de uitgangspunten en in een later stadium is een formele reactie gegeven op de concepttekst. Met EZ is afgesproken dat NWEA ook in het vervolgtraject (de invulling van de Ministeriële Regelingen) betrokken wordt.

Nu de AMvB naar de Raad van State is gestuurd, wordt de versie die in het kabinet is besproken niet verder verspreid. Als de Raad van State advies heeft gegeven, past EZ de AMvB wellicht aan, die dan nogmaals door het kabinet vastgesteld wordt. Pas daarna is het stuk openbaar. EZ zal nog wel alle insprekers schriftelijk informeren wat er met hun reacties is gebeurd. Dat geldt dus ook voor NWEA.

Aangezien de definitieve AMvB nog niet bekend is, is ook nog niet duidelijk wat van het NWEA-advies overgenomen wordt. Daarom hier slechts enkele hoofdpunten uit de NWEA-reactie. De SDE geldt voor hernieuwbare elektriciteit (waaronder wind), hernieuwbaar gas en WKK. De hoofdpunten hier zijn beperkt tot windenergie.

Stabiliteit

Voor de sector is stabiliteit het allerbelangrijkste. Nieuwe projecten hebben een lange doorlooptijd en er zitten aardig wat ontwikkelingskosten aan vast. Projectontwikkelaars zijn alleen bereid deze stappen te nemen als er voldoende zekerheid bestaat over het toekomstige rendement van het project. En dus over de vastheid van de regeling waarmee gewerkt wordt. De mate waarin stabiliteit wordt geboden, is echter een belangrijke vraag. Ministeriële Regelingen kunnen namelijk vrij gemakkelijk aangepast worden, vreest NWEA, terwijl in die regelingen juist veel zit van de uitwerking van de nieuwe SDE.

Aan EZ is gevraagd hoe het ministerie desondanks zekerheid voor de sector denkt te kunnen bieden. Die vraag is ook bij verschillende Tweede Kamerfracties, waar inmiddels een gesprek mee is geweest, neergelegd als punt om over na te denken. De kamer zal naar verwachting in het najaar de nieuwe regeling met de minister bespreken.

Begin dit jaar heeft NWEA zelf een aantal voorstellen gedaan hoe een nieuwe MEP eruit zou kunnen zien, op basis van een rapport van KEMA en Ecofys. Daarin werd uitgegaan van ‘communicerende vaten’ tussen de werkelijke elektriciteitsprijs en de MEP-bijdrage en was een compensatie opgenomen voor de ‘vermeden maatschappelijke kosten’ (vmk). Kosten die níet in een energieprijs terug te vinden zijn, maar waar de maatschappij als geheel wel voor moet betalen. Zoals klimaat- (hogere dijken) en gezondheidseffecten door de uitstoot van CO2 of fijn stof. Voor wind zijn die maatschappelijke kosten te verwaarlozen.Voor gas en zeker voor kolen kan het per kWh flink oplopen.

De AMvB lijkt op hoofdlijnen ruimte te bieden om de eerder geformuleerde voorstellen van NWEA uit te werken in de Ministeriële Regelingen. Zo is de gedachte van ‘communicerende vaten’ tussen de actuele elektriciteitsprijs en de SDE-bijdrage overgenomen. Maar natuurlijk kan pas een eindoordeel worden gegeven als de uitwerking in de Ministeriële Regelingen bekend is en de bedragen zijn ingevuld.

Overleg

Overleg met de sector over de verdere uitwerking in de regelingen lijkt NWEA dan ook van groot belang. Bijvoorbeeld waar het gaat om de berekeningsmethode voor begrippen als de ‘gemiddelde kostprijs’ of het bepalen wat de ‘meest relevante beursindex’ is. De verplichting tot dit soort overleg zou wat NWEA betreft in de AMvB opgenomen kunnen worden.

Een compensatie voor de vermeden maatschappelijke kosten wordt naar verwachting níet in de regeling opgenomen. NWEA heeft ervoor gepleit op z’n minst naar het principe te verwijzen in de toelichtingen op AMvB of regelingen. Dan kan de sector dat tenminste benutten om naar te verwijzen als het gaat om de vergelijking tussen schone stroom uit wind en elektriciteit uit andere bronnen.

Positief lijkt in elk geval dat in de AMvB de mogelijkheid opgenomen wordt om de jaarlijkse subsidie te maximeren op een bepaald aantal kWh (‘vollasturen’). Voor windenergie biedt dit enige soelaas om te voorkomen dat projecten in windrijke gebieden ‘te veel’ subsidie ontvangen en projecten in minder windrijke gebieden niet rendabel kunnen worden geëxploiteerd. Ook hier geldt natuurlijk wel weer dat eerst de verdere uitwerking afgewacht moet worden.

Tot slot: de AMvB laat voor nieuwe projecten de keuze open tussen een ‘tender’ of een regeling op volgorde van binnenkomst. De uiteindelijke keuze wordt pas later vastgelegd in – opnieuw – een Ministeriële Regeling. Vanuit NWEA zijn twijfels geuit bij tendering van windenergie.