Reactie NWEA op concept basisbedragen SDE+ 2012

Door ECN en KEMA is een conceptadvies opgesteld met de basisgegevens duurzame energieproductie 2012. NWEA heeft een reactie gegeven op het concept basisbedragen SDE+ 2012 voor windenergie. In een gesprek tussen ECN, KEMA en NWEA zal de onderstaande brief worden toegelicht.

Eerder dit jaar heeft NWEA een eigen voorstel SDE+ aangeboden, waarin is aangegeven op welke wijze deze regeling volgens NWEA ingevuld zou moeten worden.

Per mail: aan de heer Lensink (ECN)
en de heer Cleijne (KEMA)

Plaats en datum: Utrecht, 8 augustus 2011
Ons kenmerk: Br-secr 284N

Onderwerp:
Concept basisbedragen voor 2012

Geachte heren Lensink en Cleijne,

Met belangstelling hebben wij kennisgenomen van de concept basisbedragen voor 2012 zoals openbaar gemaakt op woensdag 13 juli en toegelicht op de informatiebijeenkomst van donderdag 14 juli.

Met deze brief wil NWEA reageren op de uitnodiging om uiterlijk 8 augustus een reactie te geven op het conceptadvies. NWEA richt zich daarbij in het bijzonder op de mogelijke invoering van differentiatie voor wind op land. Eerder heeft NWEA een voorstel voor de invulling van de SDE+ regeling ingediend (NWEA voorstel SDE+ Wind Op Land, 11 maart 2011). Het is heel belangrijk dat er een verantwoorde en doorwrochte methode voor differentiatie voor wind op land tot stand komt. Dit neemt echter niet weg dat een aantal randvoorwaarden zoals eerder door NWEA aan de orde gesteld wat NWEA betreft onverkort blijven gelden. Het gaat hierbij vooral om: grondvergoeding, gebiedsgebonden bijdragen, plan- en netaansluitingskosten, Endex als index in plaats van APX, profiel- en onbalansfactor, adequate financierbaarheids- en rentabiliteitsbeoordeling.

Uitgangssituatie
Allereerst doet het ons genoegen te constateren dat u onderkend heeft dat verschillen in het windaanbod een substantieel effect hebben op de basisprijs van windenergie die, in tegenstelling tot de huidige SDE-regeling die in 2008 is ingevoerd, apart gemodelleerd dienen te worden. Ook waarderen wij de openheid van zaken welke is gegeven op donderdag 21 juli door het verstrekken van gedetailleerde berekeningen.

De basisprincipes van het model voor winddifferentiatie zoals voorgesteld door ECN/KEMA, lijkt NWEA te kunnen ondersteunen. In de uitwerking blijkt echter dat teveel windprojecten er in rendement op achteruitgaan, ten opzichte van de SDE+ 2011. Dit betekent dat bij ongewijzigde overname winddifferentiatie geen bijdrage zal leveren aan de realisatie van de doelstellingen voor wind op land.

Als reactie op de marktconsultatie betreffende de basisbedragen voor Wind Op Land, Wind Op Meer en Wind Op Zee, formuleert NWEA bij deze daarom haar reacties op het model voor winddifferentiatie zoals voorgesteld door ECN/KEMA.

De randvoorwaarden voor het differentiatiemodel en de Onrendabele Top berekening, onderliggend aan het differentiatiemodel zijn onlosmakelijk verbonden aan de werking van het differentiatiemodel. Vooruitlopend op het feit dat de randvoorwaarden en de Onrendabele Top berekening nog in ontwikkeling zijn bij ECN/KEMA, is NWEA van mening dat een aantal parameters op de juiste manier dienen te worden meegenomen in de randvoorwaarden en de Onrendabele Top berekening, om de winddifferentiatie te kunnen laten slagen voor alle direct en indirect betrokken partijen. Deze parameters worden bij deze dan ook reeds benoemd.

NWEA realiseert zich dat de totstandkoming van een goed werkend differentiatiesysteem een proces is waarin stapsgewijs naar een eindproduct wordt toegewerkt. Daarom hecht NWEA eraan om de consultatie over het ECN-concept-advies over de SDE+ basisbedragen 2012 al te benutten voor het aanleveren van haar inzichten. In het mondelinge overleg met ECN/KEMA en EL&I is dit ook ter sprake gekomen. Op 16 augustus aanstaande zal in een overleg tussen NWEA en ECN/KEMA deze consultatiestap worden afgerond. Daarna zal op 25 augustus aanstaande nog een volgend overleg over differentiatie plaatsvinden waarbij ook het ministerie EL&I aanwezig zal zijn.

Samengevat benoemt NWEA de volgende hoofdzaken:

A) Differentiatiemodel:
1. De parameters α en β zijn, naar onze informatie, op dit moment gebaseerd op een zeer beperkt aantal turbinemerken met bijbehorende PV curves en prijzen. Deze turbinebasis zal nog uitgebreid moeten worden, en zal ongetwijfeld leiden tot gewijzigde waarden voor genoemde parameters;
2. De overige kosten zijn nu voor alle turbinetypes vastgesteld op 27%.
3. Bepaalde turbines types zijn op basis van de IEC windklasse uitgefilterd. Deze filtering is in tegenspraak met lopende vergunningsprocedures.
4. De berekende basisbedragen op basis van α =3,0 en β = 4,7 vallen voor teveel projecten lager uit dan de gecombineerde inkomsten (SDE en grijsstroom) volgens de SDE+2011 methodiek.

B) Randvoorwaarden differentiatiemodel:
1. Voorkomen van gaming bij aanvraag van de beschikking
2. Aanpassen van het initieel vastgestelde basisbedrag na 5 jaar
3. Oplossingen voor sterke variaties in het jaarlijkse windaanbod ten opzichte van het verwachte windaanbod (banking)

C) Onrendabele Top berekening:
1. Voorbereidingskosten dienen specifiek in de investeringskosten te worden opgenomen.
2. Verschillen in investeringskosten voor netaansluiting en fundering tussen locaties (variatie van “forfaitaire” 27% overige projectkosten.
3. Exploitatievergoeding voor de grond uitdrukken in Euro per MWh en in niet in Euro per MW.
4. Ruimte geven voor gebiedsgebonden bijdragen (natuurcompensatie, sociaal fonds, etc.).
5. Er is sinds eind 2010 geen effectief rentevoordeel van de groenregeling meer te behalen.
6. Er dient geborgd te worden dat een herzien OT-model 2012 als grondslag dient voor de berekeningen van basisbedragen in het differentiatiemodel.

D) Categorie Wind Op Meer:
1. Kleine oppervlaktewateren >1 km² hebben niet de windvoordelen van Wind Op Meer.
2. Lagere toegerekende kosten per kWh.

E) Categorie Wind Op Zee:
1. Kostenreducties Wind op Zee.

Uitwerking
In meer detail betekenen de voornoemde punten het volgende:

A) Differentiatie model:
1. De overige kosten zijn nu voor alle projecten en turbinetypes vastgesteld op 27%.
ECN/KEMA gaat in de berekening van overige kosten (fundaties, parkwegen, parkbekabeling) uit van een vaste toeslag van 27% op de turbine prijs. Deze toeslag varieert in de praktijk echter sterk per turbinetype, en zelfs per project. Sommige turbinetypes worden bijvoorbeeld geleverd zonder transformator. Ook zijn de overige kosten voor IEC-II en IEC-III turbines gemiddeld percentueel lager dan voor IEC-I turbines. NWEA gaat voor de netaansluitingskosten uit van een vast bedrag van Euro 80 per kW. Dit bedrag is gebaseerd op een gemiddelde van een groot aantal projecten en sluit daarmee beter aan bij de werkelijke kosten en is gebaseerd op de gemiddelde kosten voor projecten tot 10 MW (deze vermogensgrens is vastgelegd in de E-Wet). Voor projecten groter dan 10 MW met hogere aansluitingskosten, als gevolg van de lokale netsituatie, dient het basisbedrag van de SDE te worden gebaseerd op de werkelijke project specifieke aansluitkosten.

2. Bepaalde turbine types zijn in het conceptadvies op basis van de IEC windklasse uitgefilterd. Deze filtering is in tegenspraak met lopende vergunningsprocedures.
Lopende vergunningsprocedures anno 2011 zijn veelal gebaseerd op windturbines die onder de SDE+2011 kunnen renderen. Dit is mede ingegeven door het feit dat gemeentes en provincies veelal een beleid hebben gevoerd dat focust op geïnstalleerde MW in plaats van geproduceerde MWh. Indien de winddifferentiatie hier onvoldoende rekening mee houdt, zal dit de eerstvolgende jaren resulteren in een verdere terugval in de toch al minimale bouw van nieuwe windturbines. NWEA bepleit daarom dat ook IEC-I turbines in de bepaling van het basis bedrag bij Q* van 0,6 tot Q*=1 meegenomen worden.

3. De berekende basisbedragen op basis van α =3,0 en β = 4,7 vallen voor te veel projecten lager uit dan de gecombineerde inkomsten (SDE en grijsstroom) volgens de SDE+2011 methodiek.
Onderstaande tabel geeft enerzijds per turbine type en waarde van Q* de jaarlijkse inkomsten uit de productie van elektriciteit per MW volgens het winddifferentiatievoorstel (SDE 2012), gebaseerd op α =3,0 en β = 4,7, in vergelijk met dezelfde inkomsten gebaseerd op SDE+ voor Wind Op Land 2011, gecombineerd met de reële grijsstroom inkomsten boven de 2200 vollasturen (= 6,2 Eurocent per kWh).

Anderzijds geeft deze tabel een tegenvoorstel op basis van nieuw berekende parameters α en β, die zijn gebaseerd op geactualiseerde aannames voor projectkosten (niet zijnde investerings­kosten) (α =3,34 en β = 5,14). De aanpassingen in het OT model betreffen met name de grondkosten (4 EU/MWH ipv 12 EU/kW), gebiedsgebonden bijdrage (1 EU/MWH), rente vreemd vermogen(geen groenrentekorting), EIA (41,5% ipv 44%)), financieringsverhouding (25% equity ipv 20%), vpb (25% ipv 25,5%), onbalans en profielkosten (12,5% en 11%).

Daarbij levert zelfs het door NWEA volgens de ECN systematiek berekende niveau van inkomsten, na betaling van kosten, voor de meeste projecten (en locaties) nog steeds onvoldoende inkomsten voor afschrijving en betaling van rente en rendement (gemiddeld 150 kEU / MW). Laat staan voor opvang van risico’s van periodieke variatie in windaanbod en ondernemersrisico. Dit betekent dus dat de systematiek, als voorgesteld, investeerders volstrekt onvoldoende zal bewegen tot investeringen in windprojecten.

EBITDA: Inkomsten voor belasting, rente en afschrijving. Rente en afschrijving bedragen voor windenergie, bij een investeringsniveau van 1420 EU/kW en een jaarlijks rendement van 7,7%, ca 150 kEU, ex VPB.

B) Randvoorwaarden differentiatiemodel:
1. Voorkomen van gaming bij aanvraag van de beschikking
“Gaming” door middel van het indienen van opzettelijk onjuiste windrapporten dient ondervangen te worden. Hetzelfde geldt voor reductie van de productie gedurende de eerste 5 productiejaren teneinde een te hoog basisbedrag voor de resterende termijn te verkrijgen.

2. Aanpassen van het initieel vastgestelde basisbedrag na 5 jaar
Het initieel vastgestelde basisbedrag dient na 5 jaar herberekend te worden op basis van de werkelijke productie, gecombineerd met de windex, en eventueel ook beschikbaarheidsgegevens.

3. Oplossingen voor sterke variaties in het jaarlijkse windaanbod ten opzichte van het verwachte windaanbod
Er dient rekening gehouden te worden met risico’s van het jaarlijks sterk wisselende windaanbod. In de huidige SDE- regeling is daarvoor de 1.760 vollasturenregeling geïntroduceerd.

C) Onrendabele Top berekening:
1. Voorbereidingskosten in de bepaling van de investeringskosten.
NWEA geeft al sinds enkele jaren aan dat de voorbereidingskosten meegenomen dienen te worden in de Onrendabele Top-berekening (het “OT-model”), zie bijvoorbeeld onze brief van vorig 23 februari jongstleden. “NWEA gaat bij de bepaling van de kostprijs van windenergie uit van een vast percentage voor de plankosten van 4,5% van de investeringskosten (windturbine, fundatie, civiele ontsluiting en netaansluiting)”. NWEA acht het nog steeds onjuist en onredelijk dat deze kosten niet als voorinvestering worden meegeteld en ten laste worden gebracht van het investeringsrendement.

2. Verschillen in investeringskosten voor netaansluiting en fundering tussen kustlocaties en binnenlandlocaties.
In de praktijk liggen goede windlocaties vaak op plaatsen waar netaansluitingkosten en funderingskosten hoger zijn dan op binnenlandlocaties. Desondanks kan op dergelijke locaties de kostprijs per kWh lager liggen dan op andere locaties. ECN presenteerde op 27 juni een wind differentiatiemodel dat op goede windlocaties ruimte hield voor dergelijke project specifieke investeringskosten. In het uitgewerkte voorstel van ECN/KEMA komt dit echter niet terug. Juist om goedkope windenergie voldoende kansen te geven, bepleit NWEA een differentiatieformule die wél ruimte geeft voor project specifieke kosten op goede windlocaties.

3. Exploitatievergoeding voor de grond uitdrukken in Euro per MWh en in niet in Euro per MW.
NWEA constateert dat in de markt veelal hogere grondvergoedingen worden gevraagd dan waarvan in de Onrendabele Top berekening wordt uitgegaan. Dit gebeurt ook door overheidsinstanties als het RVOB. Hogere grondvergoedingen leiden uiteindelijk tot een hoger basisbedrag in de SDE+, hetgeen feitelijk neerkomt op het rondpompen van geld tussen overheidsinstanties en daarnaast verkleining van de concurrentiekansen voor windenergie binnen de SDE+ tot gevolg heeft. Wij gaan ervan uit dat het Rijk regelt dat overheidsinstanties géén hogere grondvergoeding mogen vragen dan in de Onrendabele Top berekening is opgenomen. Hierbij bepleit NWEA een grond vergoeding van 4 Euro per MWh, in plaats van een grondvergoeding welke is gebaseerd op geïnstalleerde MW, zoals de huidige RVOB berekening.

Parallel hieraan wordt in de Onrendabele Top berekening geen rekening gehouden met gebiedsgebonden bijdragen. NWEA gaat bij de bepaling van de kostprijs van windenergie uit van een vast forfaitair bedrag voor de gebiedsgebonden bijdrage van 1 Euro per MWh. Deze bedragen kunnen door de projecten worden gebruikt voor betaling van compensaties, zoals planschade, natuurcompensaties, organiseren van financiële participaties en compensaties van maatschappelijke kosten die met steeds grotere regelmaat aan windprojecten worden opgelegd.

4. Er is sinds eind 2010 geen effectief rentevoordeel van de groenregeling meer te behalen.
ECN/KEMA blijven een korting van 1% groenregeling in de berekening hanteren. Tijdens de informatiebijeenkomst werd aangegeven dat dit is omdat de banken niet onverdeeld aangaven geen groenregeling meer te verstrekken. NWEA constateert dat de groenregeling door de overheid is aangepast (vervallen) en dat er geen projecten zijn waarbij banken nu nog de korting toepassen. Zoals wij eerder voor de basisbedragen 2011 al aangaven, dient volgens NWEA de korting groenregeling van 1% uit de Onrendabele Top berekeningen te vervallen. Het kan naar de mening van NWEA niet zo zijn dat de overheid de ene regeling aanpast en vervolgens de effecten daarvan niet meeneemt in een andere regeling. Overigens werd vanuit zowel ministerie van EL&I als ECN/KEMA naar aanleiding van de basisbedragen 2011 begripvol op dit punt gereageerd.

5. Er dient geborgd te worden dat het herziene OT-model 2011 als grondslag dient voor de berekeningen van basisbedragen in het differentiatiemodel.
Teneinde de realistische α en β te kunnen bepalen, dienen de kosten welke ten grondslag liggen aan de Onrendabele Top berekening ook realistisch te zijn meegenomen. Na overeenkomst tussen ECN/KEMA en ECN over de toegepaste parameters, kan begonnen worden met het doorrekenen van projecten en het evalueren van concrete business cases.

D) Categorie Wind Op Meer:
1. Kleine oppervlaktewateren >1 km² hebben niet de windvoordelen van Wind Op Meer.
Uitgegaan wordt van een aparte categorie voor Wind Op Meer, waarvan de criteria niet duidelijk beschreven lijken. Bij deze categorie is – bleek tijdens het gesprek – onder meer uitgegaan van oppervlaktewateren van >1 km2; NWEA acht het zinvoller voor deze categorie uit te gaan van oppervlaktes bijvoorbeeld >25 km2. Het dient volgens NWEA mogelijk te zijn dat een aanvrager ook aanvraagt als wind op land.

2. Lagere toegerekende kosten per kWh.
Wij constateren dat bij deze categorie van veel lagere vaste en variabele kosten per kWh wordt uitgegaan dan bij Wind Op Land. Deels zou dat verklaarbaar kunnen zijn door het hogere aantal kWh dat veelal te halen zal zijn, maar het heeft er schijn van dat minder of geen kosten zijn gerekend voor grondvergoeding of OZB. Een nadere toelichting zou ook hier op zijn plaats zijn.

E) Categorie Wind Op Zee:
1. Kostenreducties Wind op Zee
In het conceptadvies basisbedragen stelt u niet te verwachten dat de kosten Wind Op Zee op korte termijn (2015) flink gaan dalen. Wij begrijpen dat u voor 2012 uitgaat van kosten die > 15 c/kWh liggen, maar kunnen de opmerking dat de kosten niet zullen dalen minder begrijpen. Gaarne gaan wij met u een apart gesprek aan over de kostenreductie Wind op Zee de komende jaren.

Tot slot
NWEA wenst te blijven bevestigen dat de invoering van tariefdifferentiatie naar windaanbod in Nederland absoluut nodig is om windenergie in windarme gebieden mogelijk te maken en zodoende de Nederlandse duurzaamheidsdoelstellingen te behalen. Echter, de op dit moment voorliggende modellen en voorstellen zijn in onze ervaring helaas onvoldoende om de markt tot nieuwe investering te bewegen. Natuurlijk zijn wij gaarne bereid om onze inzichten op dit gebied aan u toe te lichten.

In afwachting van uw informatie,

Met vriendelijke groet,
Nederlandse WindEnergie Associatie

Jaap Warners (voorzitter)
voorzitter