NWEA is zeer ingenomen met het voornemen aan te sluiten bij de Europese dosismaat L-den voor het beoordelen van windturbinegeluid en het vaststellen van de geluidsnormstelling voor windturbines, schrijft NWEA in een zienswijze op de aanpassing van de regelgeving aan de minister van VROM. De norm van 47 db L-den biedt evenwel niet altijd voldoende geluidsruimte. NWEA bepleit 48 L-den, naar aanleiding van rekenwerk door bureau LBP.
NWEA pleitte al langer voor overgang op L-den om een einde te maken aan de vele, vertragende discussies rond geluid bij projecten. Die overgang op de nieuwe norm wordt nu doorgevoerd. Positief is ook dat een andere wens van NWEA is overgenomen: het uitgangspunt van een ééngetalswaarde (47 db in L-den) in plaats van een richt- én een normwaarde, waardoor lokaal gemakkelijk (vertragende) discussie of beperkingen van de mogelijkheden konden ontstaan. De nieuwe regels moeten daaraan een einde maken.
In de brief aan de minister van VROM komen nog een aantal andere aspecten aan bod. De brief staat hieronder opgenomen.
Het ministerie van VROM
De minister van VROM
Mevrouw dr. J.M. Cramer
Postbus 20951
2500 EZ DEN HAAG
Plaats en datum Utrecht, 28 september 2009
Ons kenmerk Br-secr. 201N
Onderwerp: Zienswijze Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Activiteitenbesluit en het Besluit omgevingsrecht (wijziging milieuregels windturbines)
Excellentie, geachte mevrouw Cramer,
Bij deze dient de Nederlandse Wind Energie Associatie (NWEA) haar zienswijze in aangaande het Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Activiteitenbesluit en het Besluit omgevingsrecht (wijziging milieuregels windturbines), zoals door U op 21 augustus 2009 gezonden aan de Voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal.
Algemeen
NWEA is zeer ingenomen met het voornemen aan te sluiten bij de Europese dosismaat L-den voor het beoordelen van windturbinegeluid en het vaststellen van de geluidsnormstelling voor windturbines, zoals eerder ook al door ons bepleit.
De vigerende regelgeving rond geluid is eerder genoemd als één van de belemmeringen voor de verdere ontwikkeling van windenergieprojecten. Deze belemmering bestond uit het feit dat bij sommige vergunningverleners en insprekers twijfel bestond of de regels in voldoende mate toegerust waren op het geluid van hoge windturbines. Dit leidde tot verzoeken om aanvullend onderzoek en/of aanvullende eisen, hetgeen weer leidde tot vertraging, toekenning onder beperkende voorwaarden of zelfs afwijzing van de vergunningaanvraag.
‘Geluid’ is binnen het Plan van Aanpak Windenergie dan ook benoemd tot één van de te slechten belemmeringen. Het Plan van Aanpak is onder meer getekend door de Ministers van VROM, Economische Zaken en LNV.
In dit verband vinden wij het ook positief dat wordt uitgegaan van een ééngetalswaarde in plaats van een grens- en een richtwaarde. Een ééngetalswaarde biedt meer duidelijkheid en voorkomt (onnodig vertragende) discussie.
De overgang naar L-den moet voor duidelijkheid zorgen. Essentieel is dan ook dat de regelgeving en de direct daarmee samenhangende reken- en meetmethodiek eenduidig, eenvoudig en uniform en goed en helder worden ingevoerd, zonder ruimte voor nieuwe, mogelijk voor vertraging zorgende discussies of interpretatieverschillen.
NWEA heeft in haar beoordeling van de nieuwe regelgeving juist hierop gelet.
De keuze voor 47 dB L-den
De onderzoeksinstituten die waren ingeschakeld voor het bepalen van de waarde binnen L-den komen uit op een waarde van 47 dB L-den (Nota van toelichting paragraaf 5.1).
Het door NWEA ingeschakelde bureau LBP (Lichtveld, Buis en Partners) dat al jarenlang ervaring heeft met het berekenen van de verwachte geluidsbelasting bij in ontwikkeling zijnde windenergieprojecten en het meten bij bestaande windenergieprojecten, acht deze waarde evenwel te laag.
Doorrekeningen door LBP ter controle van het reken- en meetmodel geven aan dat van 48 dB Lden uitgegaan zou moeten worden om te kunnen spreken van een geluidruimte-neutrale overgang ten opzichte van de huidige, in het Activiteitenbesluit hiervoor opgenomen geluidnorm, de WNC40.
In de meeste gevallen is 47 dB Lden afdoende, echter zeker in kustlocaties vaak niet. En kustlocaties zijn bij uitstek geschikt voor plaatsing van windenergie.
De 47 dB Lden is daarmee niet in lijn met de uitvoeringspraktijk van de laatste jaren.
Uw uitgangspunt was en is dezelfde geluidsruimte te bieden.
NWEA bepleit daarom 48 dB Lden als dosismaat te nemen.
Een volledig eindoordeel op basis van doorrekeningen is evenwel nog niet mogelijk omdat een aantal onderliggende gegevens van KNMI nog niet beschikbaar waren in het inmiddels wel ter beschikking gestelde concept meet- en rekenvoorschrift windturbinegeluid. In principe kan deze lacune dus nog leiden tot andere conclusies.
Dit nog afgezien van de onnauwkeurigheidsmarge van +/- 2 dB, waarvan sprake is bij een theoretisch model en wanneer nog weinig validatie door middel van metingen heeft plaatsgevonden.
De bevindingen van LBP hebben wij u eerder toegestuurd. U treft deze in bijlage nogmaals aan.
Ministeriële regelingen
Veel aspecten zullen nader worden uitgewerkt in ministeriële regelingen (MR’s), zoals het reken- en meetmodel windturbinegeluid en de afstandsmaten voor externe veiligheid.
Voor de oplossing van de gesignaleerde knelpunten ten aanzien van geluid van en risicozonering bij windturbines zijn, naast de aanpassingen in de AMvB’s, ook deze nog vast te stellen MR’s van groot belang. NWEA verzoekt u daarom met klem haar in een vroeg stadium te betrekken bij de vaststelling van deze MR’s en de bij NWEA aanwezige expertise hierbij te benutten.
Artikelgewijs
Artikel 3.14, lid 2. In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag onder bijzondere lokale omstandigheden bij maatwerkvoorschrift een andere norm vaststellen.
De tekst in dit artikel is te algemeen gesteld. De Nota van toelichting (paragraaf 5.2) eveneens. Het artikel zal benut gaan worden om lokaal strengere normen afgedwongen te krijgen en daarmee leiden tot vertragingen bij projecten en/of afwijzing, naast regionale verschillen. Wij constateren dat de L-den voor verkeer evenmin een dergelijke afwijking kent. Overigens wordt ook in de huidige regelgeving m.b.t. de WNC-40 norm de mogelijkheid voor afwijking niet in een hoofdartikel geboden. In uitzonderlijke gevallen kan het bevoegd gezag in de toelichting van de regelgeving aanleiding vinden voor het stellen van een nadere eis.
Aangezien het moeilijk zal zijn dit lid zo te herschrijven dat het niet tot nieuwe onduidelijkheden leidt, pleit NWEA ervoor 3.14 lid 2 te schrappen.
Artikel 3.15a, leden 3, 4 en 5. Externe veiligheid. Bij ministeriële regeling kunnen afstanden worden vastgesteld die minimaal aanwezig moeten zijn en regels voor de berekening van het plaatsgebonden risico.
Duidelijk mag ook hier zijn dat de tekst, berekeningsregels en afstandsmaten in de bedoelde MR van wezenlijk belang zijn bij de beoordeling van dit artikel. In een eerder stadium heeft NWEA vragen gesteld en opmerkingen gemaakt bij een concept van de afstandsmaten die in de bedoelde MR zouden worden opgenomen. Deze vragen en opmerkingen gelden ook nu nog zolang er geen definitieve versie van de MR is verschenen.
In de Nota van Toelichting (paragraaf 6: Normering voor veiligheid) wordt hierbij verwezen naar het Handboek Risicozonering Windturbines waarvan vooralsnog gebruik gemaakt kan worden.
NWEA acht het zinvol daarbij te vermelden dat het Handboek herzien gaat worden en dat de tekst eveneens geldt voor de herziene versie van het Handboek, dit in geval er eerder een herziening dan een aparte ministeriële regeling is.
Artikel 6.21a. Overgangsrecht. Dit artikel regelt dat voor een windturbine of een combinatie van turbines die in werking of aanbouw zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van artikel 3.14a kunnen, indien uit onderzoek blijkt dat zij de 47 dB L-den overschrijden, bij ministeriële regeling maatregelen worden voorgeschreven die ertoe leiden dat binnen een bepaalde termijn aan 47 dB Lden wordt voldaan.
De aldus geformuleerde mogelijkheid tot nadere maatwerkvoorschriften aan al in werking zijnde of vergunde windturbines leidt tot grote onzekerheid voor exploitanten en ontwikkelaars. Onduidelijk is in onderhavig artikel bijvoorbeeld voor welk soort gevallen of op welke termijn de minister met een regeling wenst te komen. In de Nota van toelichting (paragraaf 9: sanering van bestaande windturbines) wordt gesuggereerd dat er géén sprake van saneren of aanpassingen aan (de werking van) windturbines zal zijn.
Wij achten de tekst zoals opgenomen in artikel 6.21a dan ook niet wenselijk. Wij pleiten ervoor dat bestaande windturbines en windparken én windturbines waarvoor de vergunningsaanvraag reeds in behandeling is genomen voor de in werking treding van artikel 3.14a ook volgens de oude regelgeving onder welke zij vergund zijn worden behandeld.
Omgekeerd is het opvallend dat er wel de mogelijkheid tot maatwerkvoorschriften is opgenomen voor turbines die boven de 47 dB L-den zouden uitkomen, maar er geen (overgangs)regeling is voor windturbines die op dit moment en dus voor het in werking treden van het definitieve aanpassingsbesluit, al te maken hebben met strengere geluideisen (vergunningsvoorschriften en/of maatwerkvoorschriften) en dus onnodig lang te weinig duurzame energie kunnen produceren vanwege bijvoorbeeld stilstandsregelingen. De redenatie uit het artikel volgend zouden in zo’n geval deze strengere geluideisen kunnen vervallen.
Niet helder in dit artikel is overigens in welke gevallen het tot een akoestisch onderzoek dient te komen.
Artikel 6.21b Overgangsrecht externe veiligheid.
Dit artikel regelt dat artikel 3.15a (externe veiligheid) niet van toepassing is op in werking of aanbouw zijnde windturbines.
Wij gaan ervan uit dat de zinsnede zoals in de artikelgewijze toelichting is opgenomen over het opnemen van een overgangsbepaling in de ministeriële regeling (betreffende afstandsmaten) , te weten ‘in de regeling zal een overgangsbepaling worden opgenomen (…) te klein is’ vanuit dezelfde insteek wordt uitgegaan. Het ware daarom duidelijker deze zin te herschrijven: ‘in de regeling zal een overgangsbepaling worden opgenomen dat de regeling niet geldt voor op het moment van in werking treden van artikel 3.15a bestaande of in aanbouw zijnde windturbines, dan wel voor windturbines waarvan de vergunningsaanvragen reeds in behandeling zijn genomen’.
Nota van toelichting
Paragraaf 4: Wijziging berekeningsmethodiek voor geluid.
Met de huidige rekenvoorschriften zou het geluid van hoge turbines niet onder alle omstandigheden correct kunnen worden voorspeld. De methode zou daarop aangepast moeten worden. Er wordt echter voor gekozen een nieuw, apart Reken- en meetvoorschrift uit te brengen, met een aparte reken- en meetmethode.
De vraag kan gesteld worden in hoeverre het reken- en meetvoorschrift (de Handleiding) volledig verlaten dient te worden. Daardoor worden er onnodige verschillen tussen huidige (Europese) methodes geïntroduceerd. Doordat afgeweken gaat worden, kunnen bijvoorbeeld in de toekomst internationale vergelijkingen moeilijker of niet meer gemaakt worden. Normstellingen zullen evenwel geschieden op basis van internationale vergelijkingen.
Wij geven in overweging het bestaande reken- en meetvoorschrift niet volledig te vervangen, maar waar nodig aan te passen ten aanzien van de beoordeling en bepaling van het L-den. Wij verwijzen daarbij naar het eerder toegezonden advies van LBP.
Aansluiting bij IEC-standaarden lijkt ons in elk geval van wezenlijk belang.
Paragraaf 5.2: Normering voor windturbines.
NWEA ondersteunt het uitgangspunt van een algemene, eenduidige, eenvoudige en (landelijk) uniforme geluidnorm.
Eerder hebben wij ook al aangegeven bezwaar te hebben tegen de wijze waarop een aantal Nederlandse en Zweedse studies door TNO zijn gebruikt. Deze studies hebben betrekking op de beleving van windturbinegeluid en niet op de meting of normering van windturbinegeluid. Daarnaast zijn bepaalde gegevens weggelaten, waardoor een subjectief beeld ontstaat. Er is als het ware een grote mate van ‘zichthinder’ in de beoordeling meegenomen alsof het geluidhinder betreft.
De beoordeling van de mate waarin geluid van windturbines als hinderlijker zou worden ervaren dan geluid van weg- en railverkeer of industriële bedrijvigheid, is dan ook twijfelachtig.
Ook de Nota van Toelichting stelt dat van een ‘grotere onzekerheidsmarge’ sprake is vanwege het feit dat het om een beperkt aantal studies gaat.
Wij constateren dat binnen de van toepassing zijnde nauwkeurigheidsmarges de harde conclusies ten aanzien van windturbines niet getrokken kunnen worden.
Wij achten de tekst in de Nota van Toelichting dan ook niet correct. Deze tekst zal evenwel beeldbepalend zijn voor het externe debat en ertoe bijdragen dat lokale overheden eigen beleid willen maken. Dit strookt niet met het doel van de huidige aanpassingen van de AMvB. Daarnaast leidt de redenatie die voortbouwt op o.i. onvolledige onderzoeken tot (verkeerde) conclusies betreffende de 47 dB L-den.
Wij stellen voor de tekst over het TNO-onderzoek te schrappen of deze als volgt aan te passen:
‘Recent (…) dosis-effect relatie voor windturbines. Aangezien het onderzoek is gebaseerd op een beperkt aantal studies in Nederland en Zweden, die zijn opgezet met een ander onderzoeksdoel en dus niet één op één vertaald kunnen worden naar de huidige problematiek, is de afgeleide dosis-effect relatie omgeven met een grote mate van onzekerheid. Dit betekent dat de conclusies dat het geluid van windturbines als hinderlijker wordt ervaren dan geluid van weg- en railverkeer en industriële bedrijvigheid geen algemene geldigheid hebben.’
De tekst ‘bij deze waarde circa 9% ernstige hinder mag worden verwacht’ is o.i. gezien bovenstaande te kort door de bocht. Ook hier dient, op basis van het voorgaande, aangegeven te worden dat het effect lager zou kunnen zijn.
Bovendien doet de tekst vermoeden dat in alle gevallen de 9% ernstige hinder zal voorkomen. Duidelijk zal moeten zijn dat het om maxima gaat.
Met vriendelijke groet,
Nederlandse Wind Energie Associatie NWEA
Jaap Warners,
voorzitter
cc Tweede Kamer der Staten-Generaal