NWEA aan Tweede Kamer: 'Maak differentiatie mogelijk'

za, 28/11/2009 - 17:30
De SDE in zijn huidige vorm heeft niet het beoogde stimulerend effect op de ontwikkeling van windenergie op land, constateert NWEA in een brief aan de Tweede Kamer. Die bespreekt binnenkort de SDE 2010. NWEA pleit voor differentiatie binnen de SDE voor wind op land. De minister van Economische Zaken zegt daar niet voor te zijn, maar NWEA constateert dat ze er zelf wél voor kiest bij het project Noordoostpolder. NWEA constateert verder onder meer dat in de berekeningen van een te hoge basiselektriciteitsprijs is uitgegaan. Hierdoor ontstaat voor projecten in de startfase al een cash tekort.
 

De minister van Economische Zaken geeft in de brief aan de Tweede Kamer aan niet de weg op te willen van differentiatie binnen de SDE voor wind op land. ECN/Kema zouden hebben geadviseerd dat dit geen oplossing biedt. Eerder vroeg de Tweede Kamer de minister differentiatie te onderzoeken. Van zowel ECN/Kema als het ministerie heeft NWEA begrepen dat het advies over differentiatie nog niet definitief is. Ook heeft door EZ, ondanks herhaalde verzoeken, nog geen overleg met de sector plaatsgevonden naar aanleiding van het (concept)advies. NWEA staat nog steeds op het standpunt dat differentiatie op de wijze zoals door NWEA voorgesteld substantieel bijdraagt aan het vergroten van het aantal vergunde MW in 2011. Zonder differentiatie zal de doelstelling voor windeenrgie van het kabinet zeker onbereikbaar zijn. 
 
Het project Noordoostpolder betekent voor windenergie in Nederland een forse impuls. NWEA constateert wel dat de minister heeft besloten hier af te wijken van de standaard-SDE, in de vorm van aparte categorieën voor grote turbines en near shore. Daarmee erkent de minister dat de huidige SDE niet in alle gevallen voor alle projecten afdoende is. Door te kiezen voor een systeem van differentiatie naar locatie, kan de minister ook de (vaak kleinere) andere projecten in het land waaraan vaak al vele jaren wordt gewerkt, mogelijk maken.
 
Uit de brief van de minister blijkt dat ECN/Kema voor de SDE 2010 hebben gerekend met een basiselektriciteitsprijs van 4,9 cent per kWh. Dit ligt ver boven de huidige prijs die producenten ontvangen. Hierdoor ontstaat bij aanvang van een project reeds een cash tekort, wat versterkt wordt doordat er een voorschot van 80% van het subsidiebedrag wordt uitbetaald. Dit leidt tot problemen met het betalen van rente en aflossing in de eerste jaren van een project en zo tot direct gevaar voor het project in de opstartfase.
 
NWEA roept de Tweede Kamer-leden onder meer op om er voor te zorgen dat differentiatie binnen de SDE voor wind op land naar locatie en turbines mogelijk wordt. Ook wordt de kamerleden verzocht bij de minister na te vragen of en wat er met de verbetervoorstellen van NWEA in de consultatieronde is gedaan en de minister op te dragen op korte termijn met de sector over de verbetervoorstellen te spreken en daarop de SDE voor 2010 wind op land aan te passen.
 
 
De brief aan de Tweede Kamer staat hieronder en is ook als pdf op te vragen. Dat laatste geldt ook voor de brief van 23 november j.l. van de minister van Economische Zaken aan de Tweede Kamer over de SDE 2010.
 
Eerder reageerde NWEA op het concept-rapport met de basisbedragen 2010 van ECN/Kema. Die reactie is hier te vinden.
 


De leden van de Vaste commissie voor
Economische Zaken van de
Tweede Kamer der Staten-Generaal
 
  
Plaats en datum Utrecht, 27 november 2009            
Ons kenmerk Br-secr. 208N                                       -
 
Onderwerp:  AO 2 december 2009 over SDE
 
 
Geachte leden van de Tweede Kamer,
 
Op 2 december aanstaande heeft u een AO met de minister van Economische Zaken over de SDE-regeling 2010, inclusief een terugblik op de voorgaande jaren. De minister heeft u daartoe op 23 november de brief Openstelling SDE 2010 (kenmerk ET/ED/9187095) toegezonden. De Nederlandse Wind Energie Associatie NWEA wil een aantal punten bij u onder de aandacht brengen om zodoende bij te dragen aan een vruchtbare subsidieregeling. 
 
SDE in huidige vorm heeft niet beoogde stimulerend effcet
 
NWEA constateert dat de SDE in zijn huidige vorm niet het beoogde stimulerend effect heeft op de ontwikkeling van windenergie op land. Uit de brief van de minister blijkt dat eind 2009 524 MW aan SDE-subsidie wind op land gecommitteerd zal zijn. Voor het windpark Noordoostpolder (omvang 429 MW) is evenwel een afwijkende, gedifferentieerde regeling getroffen. Wordt dit windpark van het totaal afgetrokken, dan blijkt in 2008 voor 91 MW en in 2009 voor slechts 22 MW ‘gewone SDE’ te zijn aangevraagd. Om het in perspectief te plaatsen: de aanvraag 2009 staat gelijk aan ongeveer 7 moderne turbines van 3 MW of slechts 4 turbines van 6 MW, turbines zoals die onder de door de minister ingestelde speciale categorie voor windpark Noordoostpolder vallen.
 
Net als vorig jaar beargumenteert de minister dat de traag verlopende vergunningprocedure de oorzaak van dit beperkte aantal aangevraagde MW is. NWEA beaamt dat dit in een aantal situaties zeker het geval zal zijn, maar dat een even zeer belangrijke oorzaak ligt in de SDE zelf. Te lage basisbedragen, een onjuiste elektriciteitsprijs als uitgangspunt en met name ook een te lage vergoeding voor windenergieprojecten die wat verder van de kust liggen. In dat laatste geval gaat het om vele honderden MW in ‘pijplijn’projecten; de al langer lopende projecten die hard nodig zijn om de doelstellingen op het gebied van windenergie op land in Nederland in 2011 te kunnen halen. Afgezien van een enkel project, gaat het daarbij niet om windturbines van 6 MW. De ‘standaard’-turbine die geplaatst wordt, is nog steeds vooral de 2 tot 3 MW-turbine of zelfs kleiner. Juist voor dat soort turbines moet de ‘gewone’ SDE voor de korte termijn juist voldoen.
 
Differentiatie is noodzakelijk, blijkt ook bij Noordoostpolder
 
Het project Noordoostpolder betekent voor windenergie in Nederland een forse impuls. Het Rijk laat er ook doorzettingsmacht zien. Maar tegelijk is het feit dat de minister voor dit project nieuwe categorieën opent voor wind op land binnen de SDE  (en daarnaast een extra impuls geeft ten laste van de SDE), een bevestiging van onze stelling dat de systematiek tot nu toe niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Differentiatie van de subsidie naar locatie en turbinekeuzeis volgens NWEAeen noodzakelijke maatregel om windenergie op land in Nederland doeltreffend en kosteneffectief te stimuleren. NWEA heeft dit al eerder bij u en het verantwoordelijke ministerie bepleit. U als Tweede Kamer heeft de minister verzocht differentiatie te onderzoeken. De minister geeft in de brief echter aan niet de weg op te willen van differentiatie. ECN/Kema zouden hebben geadviseerd dat het geen oplossing biedt.
 
Dit is opmerkelijk omdat wij van zowel ECN/Kema als het ministerie hebben begrepen dat het advies waarnaar de minister verwijst, nog niet definitief gereed is. De minister van EZ baseert zich op een concept, dat ook nog niet met de sector is besproken. NWEA betreurt dat met EZ, ondanks herhaalde verzoeken, nog geen overleg heeft plaatsgevonden naar aanleiding van het genoemde advies van ECN/Kema.
 
De argumenten die tot de conclusie van de minister leiden, kan NWEA dan ook niet beoordelen. In haar brief verwijst de minister verder nog naar een tweede rapport van ECN/Kema, te weten het eindadvies met betrekking tot de hoogte van de basisbedragen Ook voor dit rapport geldt dat het nog niet gereed is. Noch de Tweede Kamer, noch de sector heeft inzage gehad. Dat maakt inhoudelijk reageren en een akkoord geven op de ingezette lijn van de minister moeilijk.
 
Wij staan nog steeds op het standpunt dat differentiatie op de wijze zoals door ons voorgesteld substantieel zal bijdragen aan het vergroten van het aantal vergunde MW in 2011. Zonder differentiatie zal de doelstelling van het kabinet zeker onbereikbaar zijn. Wij constateren dat ook de minister met de invoering van nieuwe categorieën voor een specifiek project afwijkt van haar eigen conclusie en erkent dat het noodzakelijk is te differentiëren binnen de SDE om projecten vlot te kunnen trekken. Wij verzoeken u opnieuw te bepleiten differentiatie voor wind op land mogelijk te maken en de minister van Economische Zaken te verzoeken de genoemde rapporten op korte termijn publiek te maken zodat een beargumenteerde discussie met de Kamer en de branche gevoerd kan worden.
 
Voorgestelde verbeterpunten en basiselektriciteitsprijs
 
NWEA heeft in de consultatieronde over de SDE 2010 aan ECN/Kema een aantal significante verbeterpunten aangedragen. Deze NWEA-inbreng is als bijlage bij deze brief gevoegd.[1] Aangezien het ECN/Kema-eindrapport ontbreekt, kunnen wij niet concluderen of en hoe de aangedragen verbeteringen zijn meegenomen door ECN/Kema, dan wel of ECN/Kema op basis van de voorstellen hebben aangegeven wat de implicaties ervan zouden zijn, en de minister bepaalde keuzes gemaakt heeft. Wel kan worden vastgesteld dat het basisbedrag zoals berekend in het eindrapport (9,6 ct/kWh) niet significant verschilt van het bedrag in het conceptrapport (9,5 ct/kWh) en dat de basisenergieprijs geen recht doet aan de huidige (lagere) elektriciteitsprijs. NWEA verzoekt u bij de minister te toetsen hoe de consultatieronde heeft bijgedragen aan verbeteringen in de regeling en de minister de opdracht te geven op korte termijn met de sector aan tafel te gaan en, als daar aanleiding toe is, de basisbedragen voor wind op land per 2010 alsnog aan te passen.
 
Basiselektriciteitsprijs. Uit de brief blijkt dat ECN/Kema hebben gerekend met een basiselektriciteitsprijs van 4,9 cent per kWh. Dit ligt ver boven de huidige prijs die producenten ontvangen. Hierdoor ontstaat bij aanvang van een project reeds een cash tekort, wat versterkt wordt doordat er een voorschot van 80% van het subsidiebedrag wordt uitbetaald. Dit leidt tot problemen met het betalen van rente en aflossing in de eerste jaren van een project en zo tot direct gevaar voor het project in de opstartfase. NWEA ziet een aantal mogelijke oplossingen voor het effect van de lage elektriciteitsprijs voor al vergunde en in ontwikkeling zijnde SDE-projecten en is graag bereid u daar meer informatie over te geven.[2] Wij verzoeken u bij de minister te bepleiten voor de SDE 2010 met de sector tot een oplossing te komen.
 
Wind op zee. Tijdens het AO van 11 november j.l. gaf de minister van EZ al aan dat de basisbedragen waarmee gerekend is voor de tender van 950 MW offshore wind te laag zijn. NWEA heeft dat eerder ook al aangegeven. Anders dan bij wind op land, is er relatief weinig overleg met ECN/Kema over de hoogte van de basisbedragen wind op zee. Dat kan als effect hebben dat bij tenders met volgens de markt niet realistische bedragen rekening wordt gehouden. Onze visie op de zojuist in de Staatscourant (24 november) gepubliceerde Ministeriele Regeling Wind op Zee zullen wij u later apart geven.
 
Miniwindturbines. De huidige SDE is niet geschikt voor miniwindturbines. Door te differentiëren naar turbinekeuze kan deze vorm van windenergie, die eenzelfde uitstraling en betrokkenheid bij burgers kan hebben als Zon-PV, wel onder de SDE gebracht worden.
 
Kosteneffectief. NWEA benadrukt hierbij nogmaals dat wind op land een zeer kosten-effectieve en volwassen technologie is en blijft voor het opwekken van duurzame elektriciteit en hard nodig is om de doelstellingen voor 2011 en verder te halen. NWEA is ervan overtuigd dat met een verbeterde, gedifferentieerde SDE-regeling, windenergie zal zorgen voor een langdurige, significante bijdrage aan de doelstellingen van nu en in de toekomst.
 
Wij zijn gaarne bereid aanvullende informatie te verstrekken over bovenstaande punten.
 
Met vriendelijke groet,
Nederlandse Wind Energie Associatie
Ton Hirdes,
directeur NWEA
 
 
Bijlage: NWEA brief aan ECN/KEMA Br-secr.190N/ECN-E: ‘NWEA reactie op rapport ECN-E - 09-049’
 


[2] Zie voor deze problematiek ook het artikel ‘SDE regeling: Waar schuilt het grootste risico’ dat op de website van NWEA is geplaatst:
 
 

 

BijlageGrootte
Brief NWEA ten behoeve van AO 2 december 2009 SDE.pdf62.58 KB
Brief minister van EZ aan Tweede Kamer 23 nov. 2009 SDE 2010.pdf116.04 KB