Per brief reageerde NWEA op de aanpassing van de Elektriciteitswet 1998 in verband met toepassen van de rijkcoördinatieregeling op energie-infrastructuurprojecten.
Vaste Commissie voor Economische Zaken
van de Tweede Kamer der Staten Generaal
T.a.v. mevrouw M. Kraneveldt-van der Veen, voorzitster
Postbus 20018
2500 EA DEN HAAG
Plaats en datum Ons kenmerk
Utrecht, 11 februari 2008 Br-secr. 132N
Onderwerp:
Voorstel van Wet tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998, de Mijnbouwwet en de Gaswet in verband met toepassing van de rijkscoördinatieregeling op energie-infrastructuurprojecten
Geachte Commissie, geachte mevrouw Kraneveldt-van der Veen,
Op 25 januari jl. heeft de Minister van Economische Zaken een voorstel tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 in verband met de toepassing van de rijkscoördinatieregeling op energie-infrastructuurprojecten aan u toegezonden. Hierbij wil NWEA graag haar zorgen ten aanzien van dit wetsvoorstel aan u kenbaar maken.
Overigens heeft NWEA op 29 januari 2007 haar bedenkingen ook reeds in het kader van de consultatie van de sector aan het Ministerie kenbaar gemaakt. Wij stellen echter vast dat met deze opmerkingen kennelijk niets gedaan is.
NWEA heeft verheugd vastgesteld dat de Rijksoverheid vervolg heeft gegeven aan het B4‑rapport en zich wil inspannen voor efficiëntere vergunning procedures met kortere doorlooptijden. Uiteraard zonder de zorgvuldigheid en de belangen van derden daarbij uit het oog te verliezen.
Hoewel NWEA de intentie en strekking van het Wijzigingsvoorstel steunt, wil zij graag reageren op een aantal aspecten van het Wijzigingsvoorstel teneinde te komen tot een beter Wijzigingsvoorstel dat ook werkelijk bijdraagt aan de realisatie van het beoogde doel: efficiëntere vergunning procedures met een kortere doorlooptijd.
Doel van het Voorstel
Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat met het voorstel een versnelling van de doorlooptijd van vergunningprocedures voor windenergie projecten tot 50% wordt verwacht. Dit zou mede gebaseerd zijn op de goede ervaringen met deze aanpak onder meer bij het pilotproject Windenergie in de Noordoostpolder.
De procedure inzake het pilotproject Windenergie in de Noordoostpolder (waarbij het gaat om meerdere windparken van verschillende initiatiefnemers) is in 2006 gestart. Op dit moment is nog onduidelijk of een versnelling in de doorlooptijd kan en zal worden bereikt.
Wel is inmiddels duidelijk dat ten einde optimaal van de coördinatie te kunnen profiteren, alle vergunningen op hetzelfde moment aangevraagd moeten worden. Mede als gevolg van de snelle ontwikkelingen in de windenergiesector (zowel op technologisch gebied als in de markt) blijkt het een probleem dat in een zeer vroeg stadium het windturbinetype en fundatieontwerp vastgelegd en precies omschreven moeten worden, c.q. de keuze voor één type en leverancier in een zeer vroeg stadium vast te moeten leggen.
Ook bij de vergunningaanvragen voor offshore windenergie is het ongewenst voor initiatiefnemers en overheid, dat in een vroeg stadium van de aanvraagprocedure het windturbine type, het fundatieontwerp en daarmee de windturbine leverancier, exact bekend moeten zijn, omdat zo niet geprofiteerd kan worden van de ontwikkeling van technologie en daarmee de kostprijs.
NWEA vraagt zich dan ook af of bij windenergie projecten de voorgestelde aanpak tot de gewenste versnelling in de doorlooptijd van de vergunningprocedures zal leiden zonder dat dit ten koste gaat van een optimale benutting van de ontwikkelingen op het gebied van kostprijs en technologie.
Wij dringen er daarom bij u op aan de resultaten van het pilotproject Windenergie in de Noordoostpolder af te wachten alvorens het Wijzigingsvoorstel, in ieder geval voor wat betreft windenergie, verder in procedure te brengen en te behandelen.
Op dat moment kan ook beter beoordeeld worden of de thans gekozen grens van tenminste 100 MW voor duurzame energie productie-installaties praktisch is. Zoals u ongetwijfeld bekend, gaat het bij het pilotproject Windenergie in de Noordoostpolder om meerdere productie-installaties met een gezamenlijk vermogen van ruim 180 MW.
Indien u niettemin zou besluiten het Wijzigingsvoorstel voor wat betreft windenergieprojecten verder in procedure te brengen en te behandelen, het volgende.
Definitie productie-installatie
In het Voorstel wordt het begrip productie-installatie gedefinieerd.
Ten eerste is in de op de Elektriciteitswet gebaseerde regelgeving het begrip productie-installatie ook gedefinieerd. Deze definitie wijkt echter af van de in het Voorstel voorgestelde definitie. Dit zal ertoe leiden dat in de Wet en de daarvan afgeleide regelgeving twee verschillende definities voor hetzelfde begrip worden gebruikt. Dat leidt tot verwarring, onduidelijkheid en daarmee rechtsonzekerheid.
Ten tweede is het begrip productie-installatie wél, maar het begrip productie-eenheid in het Wijzigingsvoorstel niet gedefinieerd.
In het pilotproject Windenergie in de Noordoostpolder is sprake van meerdere productie-installaties (meerdere windparken) van verschillende initiatiefnemers. Hier is dus sprake van meerdere productie-installaties, die mogelijk elk afzonderlijk kleiner dan 100 MW zijn.
Het Wijzigingsvoorstel sluit in die zin dus niet aan bij de pilot, die juist is bedoeld om na te gaan of de rijkscoördinatieregeling in de praktijk bij productie-installaties groter dan 100 MW leidt tot een kortere doorlooptijd.
Aansluiting
Zoals ook door TenneT is aangegeven, lijkt het ons praktisch wanneer de vergunningen voor aanleg, wijziging of uitbreiding van de aansluiting op het landelijk hoogspanningsnet in de coördinatieregeling kunnen worden meegenomen. De producent heeft er belang bij dat de vergunningen voor de aansluiting ook tijdig verkregen worden. Hierbij is niet van belang wie de vergunninghouder wordt van de aansluiting, of wie de aansluiting aanlegt, in eigendom heeft of beheerd.
Wij geven u in overweging het Wijzigingsvoorstel zodanig aan te passen dat op verzoek van partijen (producent en TenneT) desgewenst de vergunningen voor de aanleg, uitbreiding of wijziging van de aansluiting op het landelijk hoogspanningsnet in de coördinatieregeling kunnen worden meegenomen.
Elektriciteitswet 1998
Op grond van artikel 1, lid 4 van de Elektriciteitswet 1998 is deze wet ook van toepassing op installaties voor de opwekking van elektriciteit in de Exclusieve Economische Zone en de daarmee opgewekte elektriciteit. Dit artikel in combinatie met het voorgestelde artikel 9b betekent dat ook (alle vergunningen voor) offshore windparken in principe onder de rijkscoördinatieregeling zullen vallen.
Voor de aanleg en exploitatie van offshore windparken is echter één vergunning (op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatwerken) vereist. Het is ons niet duidelijk welk coördinatie hier bedoeld wordt.
Wij zijn desgewenst gaarne bereid onze opmerkingen nader mondeling toe te lichten.
Met vriendelijke groet,
Nederlandse Wind Energie Associatie NWEA
Joop Lasseur, voorzitter