Minister: 'Geen onomkeerbare besluiten RCR buiten zoekgebieden’
De windparken in ontwikkeling die binnen de Rijkscoördinatieregeling vallen en binnen een provinciaal zoekgebied liggen, kunnen komende tijd gewoon doorgaan met hun activiteiten. Voor windparken die buiten provinciale zoekgebieden vallen, geldt dat er geen ‘onomkeerbare besluiten’ genomen mogen worden. Dat heeft minister Verhagen van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) toegezegd aan de Tweede Kamer tijdens een Algemeen Overleg Energie (AO Energie) op 19 juni 2012.
Enkele kamerleden bepleitten eerder een breder ‘moratorium’ voor windparken onder de Rijkscoördinatieregeling (RCR), totdat er duidelijkheid is over de gebieden die opgenomen worden in de Rijksstructuurvisie en over de gebieden die de provincies daarvoor aandragen. De minister vond dat te ver gaan. Het lijkt erop dat de meeste fracties in de Tweede Kamer de toezeggingen van de minister voldoende vinden.
NWEA is tevreden dat er geen algemene tijdelijke stop op RCR-projecten komt, aangezien dat bij veel projecten tot ongewenste en onnodige vertraging had geleid, maar constateert dat de toezegging veel vragen oproept voor RCR-gebieden buiten de zoekgebieden. De kans bestaat dat deze uiteindelijk geen doorgang kunnen vinden. Dat betekent onzekerheid en kapitaalverlies. NWEA acht dit een onwenselijke situatie.
Wat de toezegging van de minister precies betekent voor de lopende windprojecten is niet duidelijk. NWEA zal trachten die duidelijkheid te krijgen. Uitgangspunt van NWEA is dat er zo min mogelijk vertraging voor windprojecten moet optreden en er zo snel mogelijk finale duidelijkheid moet komen over de ruimtelijke mogelijkheden van grootschalige windenergie. De RCR is juist bedoeld om processen te versnellen. NWEA vindt dat ook de projecten buiten de provinciale zoekgebieden zo veel als mogelijk moeten kunnen doorlopen. Om aan ruimte voor 6.000 MW windenergie op land te komen, zouden zij immers uiteindelijk wel eens hard nodig kunnen zijn, constateert NWEA.
De minister geeft de provincies een half jaar de tijd om voldoende locaties aan te dragen om 6.000 MW mogelijk te maken. In die tijd worden ook geen nieuwe RCR-aanvragen in behandeling genomen. Een eerder ‘bod’ van de provincies kwam bij lange niet aan de vereist 6.000 MW. NWEA wijst er daarbij op dat een deel van de door de provincies genoemde locaties ‘zacht’ zijn; dat wil zeggen dat het maar de vraag is of ze haalbaar zijn voor windenergie. NWEA zal erop aandringen dat alleen een provinciaal ‘hard’ bod van 6.000 MW acceptabel is.
De Rijksstructuurvisie zou uiterlijk 1 juni 2013 klaar moeten zijn. In het eerste kwartaal van volgend jaar zou deze ter inzage moeten liggen.
In het AO Energie gaf de minister aan dat er nog onduidelijkheid is over de kans van mogelijke schadeclaims door vertragingen of het uiteindelijk afwijzen van gebieden die onder de RCR vallen. Volgens de Elektriciteitswet dient de Rijksoverheid deze projecten immers in behandeling te nemen en te beoordelen.
De minister wees erop dat de RCR voor windenergie indertijd door alle Kamerfracties is ondersteund, inclusief de fracties die nu een pas op de plaats wilden maken. Hij weersprak ook het beeld dat sommige provinciale en lokale bestuurder oproepen als zou Den Haag geen overleg voeren bij RCR-aanvragen. Verhagen: “Het is geen bulldozer die vanuit Den Haag komt. Er vindt overleg en afweging plaats.”
NWEA wijst er daarbij op dat er nog geen enkel RCR-project is geweest waar zonder of in weerwil van overleg door het Rijk een onwenselijk een besluit is genomen.
Overigens komt er nog een tweede overleg van de Kamercommissie met de minister op korte termijn over hetzelfde onderwerp.








